In de zorg voor ouderen spelen familieleden een belangrijke rol. Deze rol zal naar verwachting nog groter worden nu de bevolking ouder wordt en personeelstekorten in de zorg eerder groter worden dan kleiner. Om een ouder familielid te kunnen verzorgen moet de geografische afstand echter niet te groot zijn, en dat is lang niet altijd het geval. Dit onderzoek verkent de vraag: wie verhuizen er om dichter bij hun familie te wonen, en welke rol speelt de zorgbehoefte van ouderen in deze verhuizingen?
Binnen families hebben ouders en kinderen doorgaans de sterkste banden en wisselen de meeste zorg en steun uit. Als familie dichtbij woont, is men vaak geneigd om te blijven, terwijl familie op afstand juist verhuizingen kan aantrekken. In dit onderzoek richten we ons op deze verhuizingen in de richting van familie.
Uit eerder onderzoek in Zweden blijkt dat ernstige gezondheidsproblemen van ouders op hoge leeftijd wel samenhangen met hun eigen verhuizingen in de richting van hun kinderen, maar niet met verhuizingen van hun kinderen in hun richting. Eerder onderzoek in Nederland laat een vergelijkbaar beeld zien: 30-plussers gingen vooral dichter bij hun ouders wonen als ze zelf gescheiden waren, alleenstaand waren, een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvingen of onlangs hun eerste kind hadden gekregen.
Uit onderzoek voor de Verenigde Staten bleek dat degenen bij wie een chronische fysieke aandoening ontstond – of dat nu recent was of langer geleden, en ongeacht leeftijd – minder vaak over lange afstand verhuisden dan anderen. Maar zij verhuisden wel vaker terug naar een gebied waar ze eerder hadden gewoond, en als ze verhuisden werd de gemiddelde afstand tot familie kleiner. Ons onderzoek bouwt voort op dit bestaande werk door zelf gerapporteerde verhuisredenen te benutten – dus of mensen zelf expliciet aangeven dat de nabijheid van familie een motief was. We koppelen deze informatie aan registergegevens over de woonafstand tot ouders en kinderen, én aan een indicator van zorgbehoefte (gebruik van formele zorg) (zie kader).
Verhuizen voor familie en gezondheid naar leeftijd
Verhuismotieven variëren sterk naar leeftijd. In de figuren 1a en 1b laten we een beeld zien van de verhuismotieven ‘dichterbij familie wonen’ en ‘gezondheid, behoefte aan zorg’ van de Nederlandse bevolking naar leeftijdsgroepen. Procentueel wordt het motief ‘dichterbij familie wonen’ vooral vaak genoemd vanaf leeftijd 65, waarna de frequentie toeneemt met de leeftijd (figuur 1a). Maar ook bij 30-64-jarigen speelt dichterbij familie wonen een rol in meer dan 10 procent van de verhuizingen. Het motief ‘gezondheid/behoefte aan zorg’ is nog meer gekoppeld aan de hogere leeftijden. In de oudste leeftijdsgroep is het veruit het meest genoemde motief. Onder de 30 worden andere motieven het vaakst genoemd, zoals zelfstandig wonen, studie, samenwonen/trouwen, woning en werk. Omdat dertigers en veertigers meer verhuizen dan ouderen, verhuizen deze leeftijdsgroepen in absolute zin het meest om dichterbij familie te wonen (figuur 1b).


Verhuismotieven van 30-64-jarigen
In de tabel laten we enkele uitkomsten zien van statistische analyses van verhuizingen ingedeeld naar motief: de eerste voor de 30-64-jarigen en de tweede voor de 65-plussers. Uit het bovenste deel van de tabel blijkt dat 30-64-jarigen die meer dan 30 kilometer van hun ouders wonen vaker verhuizen om dichterbij familie te gaan wonen dan leeftijdsgenoten die geen ouders ver weg hebben wonen. Maar als de ouders formele zorg gebruiken komt dit verhuismotief niet vaker voor dan als de ouders geen zorg gebruiken. Sterker nog, 30-64-jarigen verhuizen vooral vaker om nabij hun ouders te zijn die ver weg wonen en géén zorg gebruiken. Ver weg wonende ouders die zorg gebruiken vergroten die kans maar weinig. Deze bevindingen zouden kunnen aangeven dat verhuizingen van volwassenen tussen de 30 en 64 jaar, die gemotiveerd zijn om nabij hun familie te zijn, vaker verhuizen omwille van hun eigen behoeften dan om die van hun ouders. Onze bevindingen zouden ook kunnen aangeven dat geografische toenadering van jong (30-64) naar oud (65-plus) vaker plaatsvindt voor motieven als gezelschap, gezamenlijke activiteiten en contact tussen kleinkinderen en grootouders dan om zorg te verlenen aan de ouders.

Verhuismotieven van 65-plussers
Tot slot brengen we ook de verhuiskansen in beeld naar het motief om te verhuizen voor de 65-plussers (zie onderste twee delen van de tabel). Als meer dan één kind ver weg woont (meer dan 30 kilometer) is de kans groter dat 65-plussers verhuizen vanwege nabijheid van familie dan als er geen kind ver weg woont. Het lijkt er ook op dat 65-plussers met kinderen die ver weg wonen wat minder vaak verhuizen om gezondheidsredenen. Dit kan komen doordat een deel van deze ouderen ook het familiemotief heeft genoemd en daarom daarbij is ingedeeld. Een andere mogelijkheid is dat deze ouderen relatief gezond zijn en daardoor minder vaak om gezondheidsredenen hoeven te verhuizen.
Ouderen van 65 jaar of ouder die formele zorg gebruiken, verhuizen maar iets vaker dan andere 65-plussers om dichter bij familie te wonen. Ouderen die zorg gebruiken, verhuizen wel aanzienlijk vaker wegens hun gezondheid of behoefte aan zorg. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gaan om verhuizingen naar woningen die beter toegankelijk zijn, comfortabeler of dichter bij ziekenhuizen of andere voorzieningen. Degenen die verhuizen vanwege gezondheidsproblemen of een zorgbehoefte, kunnen ook verhuizen naar verpleeghuizen of andere instellingen. Dit kunnen we echter niet vaststellen, aangezien bewoners van instellingen niet zijn opgenomen in de gebruikte data. In een aanvullende analyse hebben we ook de feitelijke verandering in afstand tot kinderen onderzocht bij een verhuizing om familie- of gezondheidsredenen. Daaruit bleek dat ouderen die formele zorg gebruikten en tenminste één kind hadden dat op afstand woonde, wel wat vaker in de richting van een kind verhuisden dan ouderen die geen formele zorg gebruikten (al was dit verband niet statistisch aantoonbaar), maar vooral juist vaker in een andere richting.
Conclusies
De resultaten van ons onderzoek laten zien dat nabijheid tot familie een motief vormt om te verhuizen voor ouders en hun volwassen kinderen. Maar dit geldt vooral als de ouders geen formele zorg gebruiken. Voor de verhuizingen van de 30-64-jarigen is het zelfs andersom: als ver weg wonende ouders formele zorg gebruiken leidt dat tot minder verhuizingen om reden van nabijheid tot familie dan als ze dat niet doen. Ook 65-plussers die zorg gebruiken, verhuizen niet aantoonbaar vaker om nabijheidsredenen dan ouderen die geen zorg gebruiken. Oudere zorggebruikers verhuizen wel vaker om gezondheidsredenen, en dan vaak niet in de richting van de kinderen.
Voor de 30-64-jarigen zijn de bevindingen in overeenstemming met eerder onderzoek, dat liet zien dat verhuizingen in de richting van familie vooral voortkomen uit eigen behoeften en niet zozeer de behoeften van het familielid. Het ontbreken van een rol van zorgbehoefte in verhuizingen om nabijheidsredenen van de 65-plussers is opmerkelijker. Hierbij moet wel worden bedacht dat onze indicator van zorgbehoefte ‘streng’ is: het feitelijk gebruik van formele zorg. Het kan zijn dat ouderen al in een eerder stadium verhuizen om nabijheidsredenen. Het kan ook zijn dat een wens van zorgbehoevende ouderen en volwassen kinderen om dicht bij elkaar te wonen zich vooral uit in het niet verhuizen van degenen die al dicht bij elkaar woonden. Afstanden tussen ouders en kinderen zijn in Nederland immers niet zo groot.
Volwassen kinderen verlenen vaak mantelzorg aan ouderen, maar het verlenen van die zorg vereist korte woonafstanden. Bij verhuizen voor familie speelt de zorgbehoefte van ouderen echter nauwelijks een rol. Het lijkt erop dat de behoefte aan mantelzorg door dichtbij wonende kinderen vooral vervuld wordt door kinderen die altijd al dichtbij woonden of tot wie de woonafstand al in een eerder stadium was verkleind, bijvoorbeeld toen er kleinkinderen werden geboren. Wat mogelijk kan helpen om de woonafstanden tussen zorgbehoevende ouders en hun kinderen te verkleinen is het stimuleren of faciliteren van dichtbij wonen, bijvoorbeeld met woonvormen die dit mogelijk maken. Maar dit zal nog een hele opgaaf worden, vooral nu het woningtekort toch al groot is.
Dit artikel is onderdeel van het FamilyTies-project (ERC Grant 740113).
Clara Mulder, Rijksuniversiteit Groningen, e-mail: c.h.mulder@rug.nl
Niels Kooiman, Centraal Bureau voor de Statistiek, e-mail: c.kooiman@cbs.nl
Literatuur
- Artamonova, A., B.J. Gillespie en M. Brandén (2020), Geographic mobility among older people and their adult children: The role of parents’ health issues and family ties. Population, Space and Place, 26 (8), e2371.
- Mulder, C.H. en M. Kalmijn (2006), Geographical distances between family members. In P.A. Dykstra, M. Kalmijn, T.C.M. Knijn, A.E. Komter, A.C. Liefbroer en C.H. Mulder (red.), Family solidarity in the Netherlands, Alblasserdam: Dutch University Press, pp. 43-62.
- Mulder, C.H. en N. Kooiman (2024), Moving for proximity to family, care needs and the locations of family members: An analysis of matched survey and register data. Population, Space and Place, 30 (3), e2713.
- Mulder, C.H. en M.J. van der Meer (2009), Geographical distances and support from family members. Population, Space and Place, 15 (4), pp. 381-399.
- Smits, A.W.M. (2010), Moving close to parents and adult children in the Netherlands: The influence of support needs. Demographic Research, 22 (31), pp. 985-1014.
- Spring, A., B.J. Gillespie en C.H. Mulder (2024), Internal migration following adverse life events: Assessing the likelihood of return migration toward family. Population, Space and Place, 30 (3), e2711.