Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gebruikt voor het onderzoek naar mensen in de marge de enquête Sociale Samenhang en Welzijn (SSW). Daarin wordt gevraagd naar participatie en vertrouwen, dé pijlers van sociaal kapitaal. Participatie gaat over hoe mensen meedoen in de samenleving. Er wordt bijvoorbeeld gevraagd of zij regelmatig contact hebben met hun familie, vrienden en buren, of ze mensen helpen buiten organisaties om of juist voor een organisatie vrijwilligerswerk doen. Ook wordt nagegaan of mensen betaald werk hebben, actief zijn in verenigingen en naar de stembus gaan. Naast participatie worden ook vragen gesteld over vertrouwen in elkaar en in instituties, zoals het leger, de politie, de pers, bedrijven en de politiek. Het CBS spreekt van ‘leven in de marge’ wanneer iemand zich zowel wat betreft vertrouwen als participatie in het laagst scorende kwart van de bevolking bevindt. Dit artikel zoomt in op de vraag welke bevolkingsgroepen de grootste kans hebben om tot die 6 procent te horen die in de marge leven.
Het zal niet verbazen dat onderwijsniveau en inkomen de grootste verschillen laten zien in het aandeel mensen in de marge. Mensen met alleen een diploma van het basisonderwijs bevinden zich met 13,5 procent het vaakst social in de marge (zie figuur). Het minst vaak leven mensen in de marge als ze een hbo- of wo-master hebben afgerond (1,5%). Daarnaast zijn het de laagste inkomensgroepen die het vaakst in de marge leven en dit loopt af met de hoogte van het inkomen. Een deel van deze verschillen naar inkomen hangt samen met verschillen tussen de inkomensgroepen in onderwijsniveau. Mensen met een lager inkomen hebben vaker basisonderwijs of een vmbo-diploma dan mensen met hogere inkomens.

Er zijn ook andere verschillen, maar deze zijn beperkter. Zo bevinden mannen en 55-plussers zich relatief wat vaker in de marge dan vrouwen en mensen jonger dan 55 jaar. Bevolkingsgroepen die juist relatief een wat kleinere kans hebben om in de marge te leven zijn mensen die net als hun ouders in Nederland zijn geboren en ook paren met thuiswonende kinderen en thuiswonende kinderen (van 15 jaar of ouder) zelf.
Al met al hebben de mensen met basisonderwijs, een vmbo-diploma en mensen in de laagste inkomensgroepen de grootste kans om zich sociaal in de marge te bevinden. Vooral deze groepen zijn daarom belangrijk voor een beleid dat gericht is op het stimuleren van het meedoen in de samenleving en op bevorderen van vertrouwen, in elkaar én in instituties.
Moniek Coumans, Centraal Bureau voor de Statistiek, e-mail: m.coumans@cbs.nl
Literatuur
- Coumans, M. en L. Janssen (2025), Leven in de marge: Een onderzoek naar mensen die in participatie en vertrouwen aan de kant staan. Statistische Trends, CBS online, Den Haag: CBS.
