Het aantal kinderen dat in Nederland geboren wordt, is de afgelopen jaren flink gedaald. Waar het kindertal per vrouw in 2010 nog 1,80 bedroeg, was dit in 2024 afgenomen tot 1,43, het laagste cijfer sinds de start van de meting in 1950. Deze daling van het kindertal is deels een gevolg van het uitstel van het krijgen van kinderen naar latere leeftijden.
Recent onderzoek laat zien dat ontwikkelingen op de woningmarkt mogelijk een rol hebben gespeeld in de daling van het kindertal. De huizenprijzen stegen sinds 2013 een stuk sterker dan de inkomens. Dit maakt het steeds lastiger voor jongvolwassenen om een woning te vinden met kenmerken die doorgaans als ‘gezinsvriendelijk’ worden gezien, zoals een koopwoning of een eengezinswoning. De gevolgen hiervan zijn zichtbaar in figuur 1, die toont hoe de woonsituatie van zelfstandig wonende vrouwen van 17 tot 44 jaar is veranderd tussen 2012 en 2022. Figuur 1a laat zien dat deze vrouwen in 2022 minder vaak in een koophuis woonden dan tien jaar eerder (daling van 60% naar 53%), maar juist vaker in een private huurwoning (stijging van 15% naar 23%). Ze wonen ook minder vaak in rijtjeshuizen en vaker in appartementen.

Vrouwen die de leeftijd hebben waarop het gebruikelijk is om kinderen te krijgen, wonen dus steeds minder vaak in woningen die doorgaans als gezinsvriendelijk worden gezien. Dit heeft mogelijk gevolgen voor hun beslissing om kinderen te krijgen, maar dit hangt af van hoe zij reageren op de veranderde situatie op de woningmarkt. In de literatuur staan twee verwachtingen tegenover elkaar. Enerzijds zou een gezinsvriendelijke woning een belangrijke voorwaarde kunnen blijven voor het krijgen van een kind, vanwege sterke sociale normen die voorschrijven wat voor woning geschikt is om kinderen in op te voeden.
Jongvolwassenen die niet aan deze norm (kunnen) voldoen, stellen het krijgen van kinderen uit of mogelijk af. Anderzijds zou de gebrekkige toegang tot gezinsvriendelijke woningen ertoe kunnen leiden dat jongvolwassenen hun situatie opnieuw evalueren en de eisen die ze stellen aan hun woning afzwakken. Hierdoor zouden meer jongvolwassenen kinderen kunnen krijgen in appartementen en/of huurwoningen.
Om deze twee mogelijkheden uit elkaar te halen, berekenen we de kans dat vrouwen in de verschillende woningsituaties in figuur 1 een jaar later een kind krijgen. We doen dit voor elk jaar tussen 2012 en 2022 (dus geboorten tussen 2013 en 2023). Zo kunnen we zien hoe het verband tussen gezinsvriendelijke woningkenmerken en het krijgen van een kind de afgelopen jaren is veranderd (zie kader).
Figuur 2 laat de resultaten van deze analyse zien, waarbij de kans om een kind te krijgen steeds is afgezet tegen de woonsituatie met de kleinste kans (een private huurwoning of een appartement). De figuur toont dat gezinsvriendelijke woningkenmerken samenhangen met een grotere kans om een jaar later een kind te krijgen. Zo kregen vrouwen die in een rijtjeshuis woonden in 2023 29 procent vaker een kind dan vrouwen in appartementen, en vrouwen in vrijstaande woningen zelfs 38 procent vaker. Ook zien we dat vrouwen in koopwoningen het vaakst een kind krijgen, gevolgd door vrouwen in sociale huurwoningen.

Daarnaast toont figuur 2 dat het verband tussen gezinsvriendelijke woningkenmerken en geboorte redelijk stabiel is tussen 2013 en 2023. Het verband tussen woningtype en geboorte is zelfs wat sterker geworden. Dit duidt erop dat een gezinsvriendelijke woning een voorwaarde blijft voor het krijgen van kinderen, die het afgelopen decennium iets belangrijker lijkt te zijn geworden.
Een andere bevinding, zichtbaar in figuur 2a, is dat er tussen 2013 en 2023 een relatieve stijging heeft plaatsgevonden van de kans dat vrouwen in sociale huurwoningen een kind krijgen, ten opzichte van zowel vrouwen in koopwoningen als vrouwen in de private huursector. Mogelijk komt dit doordat de huren in de sociale sector minder zijn gestegen dan de kosten van koopwoningen en private huurwoningen, waardoor het aantrekkelijker is geworden om een gezin te starten of uit te breiden in een sociale huurwoning.
Conclusie
Hoewel soms wordt gesteld dat jongvolwassenen zich aanpassen aan de wooncrisis door kinderen te krijgen in kleinere, gehuurde appartementen, is hier in Nederland weinig bewijs voor. Een woning met gezinsvriendelijke kenmerken blijft een belangrijke voorwaarde waar jongvolwassenen aan willen voldoen voordat ze kinderen krijgen. Een mogelijke verklaring is dat de normen die bepalen wat voor soort woning als geschikt wordt gezien om kinderen te krijgen al eerder in de levensloop zijn gevormd, bijvoorbeeld toen men in het ouderlijk huis woonde. De huidige generatie jongvolwassenen groeide immers vaak op in een gezinsvriendelijke (koop)woning, waardoor zij zelf mogelijk eenzelfde soort woning willen bemachtigen voordat ze een gezin stichten. Het resultaat is een toegenomen mismatch tussen het soort woning waar jongvolwassenen willen wonen voordat ze aan kinderen beginnen enerzijds, en het soort woning waartoe zij op de huidige woningmarkt toegang hebben anderzijds. Deze mismatch lijkt een belangrijke oorzaak te zijn van het uitstel van het ouderschap en de daling van het kindertal.
Daniël van Wijk, NIDI-KNAW / Rijksuniversiteit Groningen en UMCG, e-mail: wijk@nidi.nl
Peteke Feijten, Centraal Bureau voor de Statistiek, e-mail: pm.feijten@cbs.nl
Literatuur
- Brauner-Otto, S.R. (2023), Housing and fertility: A macro-level, multi-country investigation, 1993-2017. Housing Studies, 38 (4), pp. 569-596.
- Wijk, D. van (2024), Stijgende huizenprijzen deels verantwoordelijk voor daling geboortecijfer. Demos, 40 (8), pp. 1-4.
- Wijk, D. van en P. Feijten (2026), Is a family-friendly home still a prerequisite for childbearing? Housing Studies.
