Arts worden: zo ouder, zo kind

MAARTEN WOLBERS & MARLIES OSSEWAARDE | 29 augustus 2025 | DEMOS jaargang 41, nummer 7 - July/august 2025
Kinderen van artsen verwachten vaker arts te worden dan kinderen van wie de ouders geen arts zijn. Er geldt weliswaar op de hele arbeidsmarkt dat beroepsvoorkeuren van ouder op kind worden overgedragen, maar onder artsen is deze overdracht verhoudingsgewijs bijzonder groot. Wijst dit erop dat de toegang tot het artsenberoep beperkt is voor personen die geen familieband met het beroep hebben?

Door de enorme groei van de onderwijsdeelname in de afgelopen decennia zijn de kansen op sociale stijging toegenomen in Nederland. Iedere jongere generatie heeft – tot voor kort althans – een betere positie in de samenleving weten te bereiken dan voorgaande generaties. Zo ook op de arbeidsmarkt. Toch is daar nog steeds sprake van kansenongelijkheid, onder andere door de overdracht van beroepsvoorkeuren van ouders op hun kinderen. Deze overdracht kan direct zijn, bijvoorbeeld in de situatie dat een (boeren)bedrijf van ouders op kind wordt overgedaan, maar ook indirect, via de betrokkenheid van ouders bij de studie- en beroepskeuze van hun kind.

Van oudsher is intergenerationele beroepsmobiliteit, zoals verschillen in beroepsposities tussen generaties van ouders en kinderen officieel worden genoemd, een belangrijk vraagstuk in de sociologie. Het aantal individuen dat stijgt of daalt op de beroepsladder – los van hun onderwijssucces – wordt gezien als een maat voor hoe open de samenleving staat tegenover nieuwkomers of vernieuwing.

Een hoge mate van gelijkenis in beroepsvoorkeuren tussen ouders en kinderen kan samenhangen met minder gelijke kansen en maakt dat een samenleving blijft zoals die is. Vooral bij opleidingen waarvoor strenge selectie en toelatingseisen bestaan, zoals geneeskunde, kan dit spelen. Het toepassen van op leerprestaties gebaseerde criteria, zoals een cijferlijst, zou ertoe moeten leiden dat sociale herkomst minder relevant is bij selectie en toelating, maar juist dan zullen ouders met hogere statusberoepen, zoals artsen, compenserende strategieën (denk bijvoorbeeld aan schaduwonderwijs) inzetten om hun kinderen een voorsprong te laten behouden. Daarnaast kan de intergenerationele overdracht van beroepsvoorkeuren belemmerend werken bij het streven naar een sociaal diverse werkvloer. Dit is het geval wanneer op de arbeidsmarkt voor ziekenhuizen en medisch-specialistische zorg, bijvoorbeeld, een aanzienlijk deel van de artsen afkomstig is uit artsenfamilies. Bovendien kan een sociaal eenzijdige samenstelling van de populatie van artsen een negatieve invloed hebben op de gezondheid(sbeleving) van patiënten. Want gedeelde sociale kenmerken tussen artsen en patiënten zorgen voor wederzijds begrip en een gemeenschappelijke context die van belang zijn voor een goede onderlinge communicatie. En een goede communicatie tussen arts en patiënt is essentieel voor effectieve zorg. Deze leidt tot een nauwkeurigere diagnose en behandeling, een verhoogde therapietrouw en meer tevredenheid van de patiënt, en draagt zodoende bij aan een betere gezondheid en kwaliteit van leven.

De ‘erfelijkheid’ van het artsenberoep

De mate waarin arts worden in de familie zit, is nog maar zelden vastgesteld. Het belangrijkste onderzoek betreft een Zweedse studie waarin is gevonden dat een op de vijf als arts opgeleide personen een ouder heeft die ook als arts is opgeleid. In Nederland is vooral anekdotisch bewijs voorhanden dat aanwijzingen geeft voor het verschijnsel dat arts worden soms wel erfelijk lijkt. Heel recent zijn op basis van het BIG-register (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg) weliswaar aantallen artsen gepresenteerd met ouders die ook arts zijn – zo hebben 7.444 van de in totaal 37.654 artsen in het BIG-register van 2023 een vader die hetzelfde BIG-beroep heeft (bijna 20 procent) –, maar hoe de kans om arts te worden voor kinderen van wie de ouders arts zijn zich verhoudt tot deze kans voor kinderen van wie de ouders geen artsenberoep uitoefenen, is onbekend. Hier proberen we een stap verder te komen door cijfers te tonen over de relatieve kans dat kinderen van artsen verwachten zelf ook arts te worden.

We maken daarbij gebruik van Nederlandse gegevens (zie kader) van het Programme for International Student Assessment (PISA), een landenvergelijkend onderzoek onder 15-jarige leerlingen in het voortgezet onderwijs. Naast leerprestaties worden allerlei achtergrondgegevens van hen verzameld, waaronder karakteristieken van de ouders, zoals hun beroep. Ook wordt gevraagd naar beroepsverwachtingen. Daarbij gaat het om de vraag wat voor soort baan leerlingen verwachten te hebben als ze ongeveer 30 jaar oud zijn. Door deze verwachtingen van leerlingen te combineren met informatie over het beroep van beide ouders kan worden vastgesteld in hoeverre er sprake is van intergenerationele overdracht van beroepsvoorkeuren, in het bijzonder of kinderen van artsen verwachten zelf ook arts te worden.

Verwachting om arts te worden

Van de leerlingen van wie ten minste een ouder arts is, verwacht zo’n 19 procent arts te worden (zie de figuur 1). Wanneer de vader arts is, dan ligt dit percentage zelfs nog wat hoger: in dat geval verwacht een kwart van de leerlingen arts te worden. In de situatie dat de moeder arts is, bedraagt het percentage 15 procent. Voor leerlingen van wie de ouders geen artsenberoep uitoefenen is de kans dat zij arts verwachten te worden aanmerkelijk lager, namelijk 5 procent. Deze resultaten suggereren inderdaad dat er sprake is van een overdracht van beroepsvoorkeuren van ouder op kind onder artsen.

Figuur 1. Verwachting van 15-jarige leerlingen in het voortgezet onderwijs om artsa te worden, 2015-2022 (percentages)

Zo ouder, zo kind

Om deze bevindingen nader te onderbouwen zijn relatieve kansverhoudingen, veelal gebruikt voor het vaststellen van intergenerationele beroepsmobiliteit, uitgerekend. Deze zijn gepresenteerd in de tabel. In dit geval wordt de kans dat een kind uit een artsengezin arts verwacht te worden vergeleken met de kans dat een kind uit een niet-artsengezin arts verwacht te worden. Uit de tabel blijkt dat de relatieve kansverhouding 4,2 is. Met andere woorden, de kans voor een kind van wie minstens een van de ouders arts is dat zelf ook verwacht arts te worden, is ruim vier keer groter dan de overeenkomstige kans voor een kind van wie beide ouders geen arts zijn. Een kind van een arts verwacht dus vaker arts te worden. Ter vergelijking: de relatieve kansverhouding gemiddeld over alle beroepen heen bedraagt 2,4 (niet in de tabel). Dit duidt erop dat er een relatief sterke intergenerationele overdracht van beroepsvoorkeuren onder artsen bestaat. Bij dochters met ten minste een ouder als arts is de gelijkenis in beroepsvoorkeuren overigens groter dan bij zonen.

Tabel: Overdracht van beroepsvoorkeuren van ouder op kind onder artsen, 2015-2022 (relatieve kansverhoudingen)

Deze ‘erfelijke’ overdacht is alleen bij agrarische beroepen en onder juristen nog groter. Bij boeren is die overdracht er, omdat een boerderij vaak wordt overgenomen door een zoon (of dochter). Bij juristen speelt waarschijnlijk hetzelfde als bij artsen het geval blijkt, namelijk dat het om een hoog in aanzien staande beroepsgroep gaat waar telgen uit een familie kiezen voor hetzelfde beroep. Denk daarbij bijvoorbeeld aan bekende Nederlandse advocatenfamilies. Ook wanneer rekening wordt gehouden met het ouderlijk opleidingsniveau, de migratieachtergrond, de leesprestaties, het opleidingstype dat wordt gevolgd in het voortgezet onderwijs en het jaar van de PISA-meting (aangeduid als ‘geschat’ in de tabel), dan blijft overeind dat een kind van wie minstens een ouder arts is, vaker verwacht zelf ook arts te worden. De geschatte effecten zijn overigens wel geringer dan in het geval dat deze variabelen niet worden meegenomen in de analyse.

Wanneer de vader arts is, dan is de kans groter dat het kind verwacht zelf ook arts te worden dan als de moeder arts is. In beide gevallen is de intergenerationele overdracht bij dochters groter dan bij zonen. Dit sekseverschil betreft hoofdzakelijk de situatie dat de moeder arts is. Voor zonen geldt dat als zij een moeder hebben die arts is dit geen significante rol speelt bij de verwachting wel of geen arts te worden.

Conclusie

Arts worden zit voor een deel in het bloed. Kinderen van artsen verwachten vaker zelf ook arts te worden dan kinderen van wie de ouders geen artsenberoep uitoefenen. Nu komt het overdragen van beroepsvoorkeuren overal voor, maar onder artsen is deze overdracht verhoudingsgewijs groot, zeker als rekening wordt gehouden met het feit dat beroepsverwachtingen van kinderen uiteindelijk veelal leiden tot de feitelijke uitoefening van dat beroep. Over de verklaring van de relatief sterke intergenerationele overdracht van beroepsvoorkeuren onder artsen valt met de gebruikte gegevens weinig te zeggen, maar dat bekendheid met een beroep via de ouders invloed heeft op de verwachting van het kind om dat beroep ook zelf te kiezen wekt op zich geen verbazing (‘onbekend maakt onbemind’). Dat de appel vaak niet al te ver van de boom valt blijkt ook uit ander onderzoek. Daarnaast kunnen statusoverwegingen een rol spelen. Het blijft trouwens een open vraag of het artsenberoep hierdoor meer gesloten is, maar de sterke overdracht van beroepsvoorkeuren onder artsen zou het moeilijker kunnen maken dat de artsenpopulatie een redelijke afspiegeling vormt van de patiëntenpopulatie die zij dagelijks in de wachtkamer of aan het ziekenhuisbed aantreft. Deze afspiegeling is gewenst, omdat zoals gezegd overeenkomsten in sociaal-demografische kenmerken tussen artsen en patiënten gunstig uitpakken in termen van betere communicatie en wederzijds begrip, en uiteindelijk een betere gezondheid.

Maarten Wolbers, Radboud Universiteit, e-mail: maarten.wolbers@ru.nl
Marlies Ossewaarde, ZorgSaam Ziekenhuis, e-mail: m.ossewaarde@zzv.nl

Literatuur

KNAW Logo
Cookie consent
This website makes use of third party cookies for traffic analysis. Privacy statement.