Al decennialang zijn er meldingen in de landelijke media die waarschuwen dat het vergrijzende concertpubliek een potentiële bedreiging vormt voor het voortbestaan van klassieke muziek. Tegenover deze doemberichten staan echter ook optimistische geluiden waarin de vergrijzing wordt gezien tegen de achtergrond van een groeiende doelgroep van gezonde, actieve en kapitaalkrachtige senioren. De drijvende krachten achter de vergrijzing van het concertpubliek worden echter zelden onderzocht. Vergrijzing van het concertpubliek kan het gevolg zijn van twee – elkaar niet uitsluitende – verklaringen. De eerste legt de nadruk op leeftijdsverschillen: met het ouder worden neemt de tijd, financiële ruimte en appreciatie voor klassieke muziek toe en als gevolg daarvan neemt het concertbezoek toe. De tweede verklaring legt de nadruk op generatieverschillen. Oudere generaties groeiden op met klassieke muziek en waren ook in hun jeugd al bezoeker van concerten. Zij blijven dit doen tot op hoge leeftijd. Jongere generaties daarentegen hebben andere voorkeuren voor cultuur, een breder aanbod aan muziek, en zouden een tanende belangstelling voor de klassieke muziek tentoonspreiden. Om deze twee mechanismen achter de vergrijzing te onderzoeken hebben we een dataset opgesteld over het bijwonen van concerten van klassieke muziek van 1979 tot 2022.
Uit de analyse van deze cijfers blijkt dat het bijwonen van concerten redelijk constant bleef gedurende de periode van 1979 tot 2022, met ongeveer 15-20 procent van de ondervraagde mensen die jaarlijks één of meer concerten bijwoonden. Het publiek vergrijst echter onmiskenbaar. Was tot de eeuwwisseling het aandeel ouderen in de concertzaal minder dan 25 procent, in het heden bestaat bijna zestig procent van het publiek uit 65-plussers. Zowel leeftijds- als generatieverschillen zitten achter deze trend. Het bijwonen van concerten van klassieke muziek neemt toe met de leeftijd en piekt rond de 75-80 jaar; 25 procent van deze leeftijdsgroep bezoekt klassieke concerten. Na leeftijd 80 neem het concertbezoek duidelijk af. Degenen die tussen 1935 en 1954 zijn geboren zijn de meest frequente bezoekers en de daaropvolgende generaties gaan steeds minder vaak. De daling over generaties vlakt wel wat af.

De generaties vertonen ook verschillende leeftijdsprofielen (zie figuur). De oudere generaties laten een sterke toename zien met de leeftijd, maar ook een snelle en vroege afname: zo begint het bijwonen al af te nemen rond de leeftijd van 65 bij de cohorten geboren tussen 1925 en 1934. Voor latere generaties begint de daling veel later, na de leeftijd van 75-80; een duidelijke illustratie van de opkomst van meer actieve ouderen. De jongste generaties daarentegen laten een vlakker patroon van toename zien met de leeftijd. Deze generaties zijn echter nog te jong om te kunnen zien of hun deelname tot op hoge leeftijd zal blijven stijgen, zoals we zagen bij de generaties die hen voor gingen.
Matthijs Kalmijn, NIDI-KNAW/Rijksuniversiteit Groningen, e-mail: kalmijn@nidi.nl
Kène Henkens, NIDI-KNAW/Rijksuniversiteit Groningen, UMCG, e-mail: henkens@nidi.nl
Literatuur
- Kalmijn, M. en K. Henkens (2025), Het publiek vergrijst maar het klassieke concert blijft. Economisch Statistische Berichten, 109 (4837), pp. 416-419.
- Kalmijn, M. en K. Henkens (2023), Forty years of social and demographic change in the Netherlands: An integrated harmonized survey data set, 1979–2022. SocArXiv Papers.