Wie gaat erop vooruit na verhuizing voor werk of familie?

NIELS KOOIMAN & CLARA MULDER | 27 februari 2026 | DEMOS jaargang 42, nummer 1 - Januari / februari 2026
Mensen die vanwege werk verhuizen gaan er daarna doorgaans op vooruit op de arbeidsmarkt, mannen nog meer dan vrouwen. Bij mensen die verhuizen om dichterbij familie te wonen veranderen arbeidsmarktuitkomsten nauwelijks. Maar vrouwen gaan wel meer uren werken als ze verhuizen voor werk én familie.

Traditionele ideeën over binnenlandse migratie stellen meestal dat verhuizen gunstig uitpakt voor iemands positie op de arbeidsmarkt. Nieuwere inzichten tonen echter aan dat dit sterk afhangt van wie er verhuist en waarom. In nieuw onderzoek is nagegaan hoe in Nederland het motief voor verhuizen – werk, nabijheid van familie, of een combinatie daarvan – samenhangt met arbeidsmarktuitkomsten. Daarbij zijn deze uitkomsten vergeleken met vergelijkbare personen die niet verhuisd zijn. De inzichten zijn gebaseerd op data uit vijf edities van de WoON-enquête (2006–2018), gekoppeld aan registerdata. Uit de gegevens blijkt dat het verhuismotief inderdaad verband houdt met de arbeidsmarktuitkomsten na de verhuizing. De bestudeerde uitkomsten zijn (1) de positie in de inkomensverdeling (percentielgroep), (2) het al dan niet hebben van betaald werk en (3) het aantal gewerkte uren als percentage van een heel jaar voltijds werk. Mensen die aangaven verhuisd te zijn vanwege werk, hadden in de jaren erna gemiddeld een hoger inkomen en vaker betaald werk dan mensen die niet verhuisden (zie onderstaande tabel). Dit patroon is zichtbaar bij zowel vrouwen als mannen, al is de samenhang bij mannen sterker. Mannen werkten daarnaast ook meer uren, bij vrouwen zien we geen verandering.

Tabel. Verandering in arbeidsmarktuitkomsten(a) naar verhuismotief en verhuisreden als gevolg van een verhuizing (ten opzichte van vergelijkbare personen die niet verhuisd zijn)

Bij mensen die verhuisden om dichter bij familie te wonen (en die daarnaast geen werkmotief noemden) ontwikkelden het al dan niet betaald werken en het aantal gewerkte uren zich in het jaar na de verhuizing vergelijkbaar met die van mensen die niet waren verhuisd. Geen verbetering en geen verslechtering dus. Bij mannen steeg het inkomen wel wat meer dan van mannen die niet verhuisden, maar de stijging was kleiner dan als ze voor werk verhuisden. Alleen bij mannen hangt er na verloop van tijd wel een prijskaartje aan verhuizen voor familie: op de wat langere termijn (twee tot drie jaar) worden negatieve verbanden gevonden ten aanzien van hun kans op werk en het aantal uren dat zij per week werkten (niet in tabel). Het kan zijn dat voor sommige van deze mannen de woonplek nabij familie het gevolg is van een compromis of een lagere prioriteit van werk; ze zouden wellicht op werkgebied beter af geweest zijn op een andere plek.

Gemiddeld genomen zagen mannen en vrouwen die verhuisden om zowel werkredenen als om dichter bij familie te wonen hun inkomen stijgen. Daarnaast gingen vrouwen na de verhuizing gemiddeld meer uren werken. Zij gingen eveneens meer uren werken dan vrouwen die alleen vanwege werk waren verhuisd. Aangezien in Nederland relatief veel vrouwen in deeltijd werken, zou nabijheid van familie kunnen helpen om hun handen vrij te maken voor meer uren betaald werk. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer grootouders die in de buurt wonen makkelijker kunnen bijspringen in de zorg voor kleinkinderen. Voor mannen werd dit patroon niet waargenomen. De bevindingen suggereren dus dat verhuizen voor werk en tegelijk voor nabijheid tot familie vooral voor vrouwen in deeltijdbanen een strategie kan zijn om hun arbeidsdeelname uit te breiden.

Niels Kooiman, Centraal Bureau voor de Statistiek, e-mail: c.kooiman@cbs.nl
Clara Mulder, Rijksuniversiteit Groningen, e-mail: c.h.mulder@rug.nl

Literatuur

KNAW Logo
Cookie consent
This website makes use of third party cookies for traffic analysis. Privacy statement.