Foto: Directie Voorlichting, Ministerie van Veiligheid en Justitie/Flickr

Afgewezen alleenstaande minderjarige vreemdelingen in Nederland

SANNE NOYON & ISIK KULU-GLASGOW | 30 oktober 2020 | DEMOS jaargang 36, nummer 9 - oktober 2020
Een deel van de asielzoekers die naar Nederland komen, zijn zogenoemde alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Ruim een kwart van deze jonge asielzoekers die in de afgelopen vijf jaar een asielaanvraag hebben ingediend, zag hun verzoek om in Nederland te mogen verblijven afgewezen worden. Wie zijn deze jongeren en hebben ze het land ook daadwerkelijk verlaten?

Volgens gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dienden tussen januari 2014 en eind augustus 2019 135.345 asielzoekers een eerste asielaanvraag in Nederland in. Ongeveer zes procent (8.775) van deze groep bestond uit zogenoemde ‘alleenstaande minderjarige vreemdelingen’ (AMV’s): minderjarigen, afkomstig van buiten de Europese Unie, die naar Nederland zijn gekomen zonder ouder(s) of een andere persoon die het gezag over hen heeft. Het grootste deel van deze groep, 69 procent, heeft een verblijfsvergunning gekregen. Vijf procent bevond zich op de peildatum van 31 december 2019 nog in de procedure of had deze voortijdig stopgezet. Van de overige 26 procent is de asielaanvraag in eerste instantie afgewezen. Deze laatste groep moet Nederland in principe verlaten. Er zijn echter aanwijzingen dat veel AMV’s dit niet doen. Eerdere studies suggereren dat een deel van de afgewezen jongeren met onbekende bestemming uit de opvang vertrekt en wellicht in de illegaliteit belandt. Deze bijdrage, gebaseerd op een gezamenlijk onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) en het CBS, focust op AMV’s van wie de asielaanvraag in eerste instantie is afgewezen (zie kader). Op basis van een unieke dataset brengen wij in beeld wat er is gebeurd met afgewezen AMV’s die in de periode januari 2014 tot en met augustus 2019 een eerste asielaanvraag indienden in Nederland en hoe het staat met hun vertrek. Bij aankomst in Nederland krijgen alle AMV’s een jeugdbeschermer vanuit de onafhankelijke voogdijinstelling Stichting Nidos toegewezen, die de voogdij op zich neemt en de jongere begeleidt. AMV’s van wie de asielaanvraag is ingewilligd en degenen die in eerste instantie zijn afgewezen, worden apart van elkaar opgevangen. Ook in de begeleiding wordt onderscheid gemaakt, waarbij voor AMV’s met een verblijfsvergunning de nadruk ligt op integratie in Nederland en voor afgewezen jongeren op een toekomst in het herkomstland. Het opvangmodel is in deze vorm geïntroduceerd in 2016. Het is nog onbekend of er een verband is tussen deze toekomstgerichte begeleiding en vertrek van AMV’s, en hoe dit verband eruitziet. Deze bijdrage biedt een eerste beschrijving van vormen van vertrek onder jongeren die onder respectievelijk het oude en het nieuwe model zijn opgevangen.

Afgewezen AMV’s

De top-5 van nationaliteiten van de bovengenoemde groep afgewezen AMV’s zijn Afghaans, Marokkaans, Eritrees, Algerijns en Syrisch (in die volgorde). De gemiddelde leeftijd bij aankomst in Nederland van de afgewezen AMV’s was 15,9 jaar en het leeuwendeel (83%) van de jongeren was 15 jaar of ouder. Ook de leeftijdsverdeling is hiermee vergelijkbaar met die van de totale groep AMV’s die in dezelfde periode asiel aanvroegen in Nederland. Jongens zijn met 90 procent sterk oververtegenwoordigd onder de afgewezen AMV’s. Dat aandeel is wat groter dan bij de totale groep (80 procent). Jongeren van wie de asielaanvraag is afgewezen en die nog doorprocederen hebben tot hun achttiende verjaardag recht op opvang en begeleiding in Nederland, tenzij ze ouders hebben in het herkomstland of er een andere vorm van adequate opvang beschikbaar is. In alle gevallen worden afgewezen jongeren doorverwezen naar de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), die het terugkeerproces initieert in samenspraak met de jongere en zijn/haar jeugdbeschermer. De DT&V onderscheidt drie hoofdvormen van vertrek:

  1. Zelfstandig vertrek zonder toezicht. De jongere heeft het laatst bekende adres verlaten zonder bericht waar hij/zij heen gaat; hij/zij is dus met onbekende bestemming vertrokken. Het is onduidelijk of deze jongeren uit Nederland vertrokken zijn of dat zij hier zonder papieren leven.
  2. Zelfstandig vertrek uit Nederland. De (ex-)AMV heeft het land vrijwillig en aantoonbaar verlaten, bijvoorbeeld met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Wegens privacyrichtlijnen van het CBS (geen aantallen kleiner dan 10) is deze categorie in de hier beschreven analyses samengenomen met de categorie ‘gedwongen vertrek’ onder de noemer aantoonbaar vertrek.
  3. Gedwongen vertrek uit Nederland. Aantoonbaar (maar niet vrijwillig) vertrek: in sommige gevallen worden (ex-)AMV’s die zonder verblijfsvergunning in Nederland verblijven in vreemdelingenbewaring gesteld en van daaruit teruggestuurd naar het herkomstland. In de hier beschreven analyses valt deze categorie samen met de categorie ‘zelfstandig vertrek’ onder de noemer aantoonbaar vertrek.

Het komt weleens voor dat een (ex-)AMV met een afgewezen asielaanvraag toch een verblijfsvergunning krijgt of op andere gronden toch verblijfsrecht heeft in Nederland. In deze gevallen wordt de lopende vertrekprocedure stopgezet. In de hierna gepresenteerde figuren zijn dit soort gevallen zichtbaar onder de noemer ‘alsnog rechtmatig verblijf’. Andere redenen om een terugkeerprocedure stop te zetten, zijn bijvoorbeeld als de jongere een nieuwe aanvraag indient, als er een uitleveringsverzoek wordt gedaan door een ander land, of als de jongere in kwestie overlijdt. Soortgelijke gevallen staan in de figuren als ‘overige uitstroom’. In het geval dat er nog geen uitslag bekend is van de vertrekprocedure bij DT&V wordt dit in de figuren weergegeven als ‘lopende procedure’.

Uitkomsten van de vertrekprocedure

De tabel geeft de cijfers weer voor de verschillende uitkomsten van de vertrekprocedure voor AMV’s van wie de aanvraag in eerste instantie is afgewezen. Het grootste deel van de afgewezen jongeren (57%) is met onbekende bestemming vertrokken. Aanvullende analyses wijzen uit dat dit onder afgewezen jongens ongeveer anderhalf keer zo vaak voorkomt dan onder afgewezen meisjes. De oorzaak voor dit genderverschil is niet bekend. Ook vertrokken vooral oudere kinderen vaak met onbekende bestemming. Dit is niet verrassend gezien het feit dat afgewezen jongeren tot hun achttiende recht op opvang hebben indien ze niet kunnen terugkeren. Daarnaast is tien procent van de afgewezen AMV’s aantoonbaar vertrokken, hetzij vrijwillig (8%), hetzij gedwongen (2%). Aantoonbaar vertrek komt met 17 procent juist wat vaker voor onder meisjes dan onder jongens (9%).

Opnieuw zijn er ook verschillen naar leeftijd, waarbij de jongere groep vaker aantoonbaar vertrekt dan oudere (ex-)AMV’s. Een minderheid van zeven procent had uiteindelijk rechtmatig verblijf in Nederland. Ook dit komt vaker voor onder meisjes dan jongens (12% versus 6%). Tot slot, voor 13 procent van de totale groep is de vertrekprocedure bij de DT&V nog niet afgerond; dit betreft voor het grootste deel minderjarigen, die dus nog recht hebben op opvang in Nederland zolang er geen adequate opvang is in het herkomstland of omdat ze nog in de procedure zitten.

Zoals figuur 1 laat zien, zijn er ook verschillen in vertrek met onbekende bestemming naar nationaliteit. Hoewel voor de meest voorkomende nationaliteiten (de top 5) van AMV’s geldt dat het grootste deel van de afgewezen jongeren met onbekende bestemming vertrekt, doen Marokkaanse en Algerijnse jongeren dit relatief vaker. Ook uit eerder onderzoek – de ‘Analyse Proeftuin Migratieketen’ – bleek dat Marokkaanse jongeren relatief vaak zelfstandig vertrekken zonder toezicht. De redenen voor deze verschillen tussen nationaliteiten zijn tot op heden onbekend: te denken valt aan verschillen in de kans op een verblijfsvergunning, de situatie in het herkomstland en netwerken in Nederland.

Oud en nieuw opvangmodel

Figuur 2 presenteert de cijfers voor de verschillende vormen van vertrek voor ex-AMV’s die onder respectievelijk het oude en het nieuwe model zijn opgevangen. Om de groepen beter vergelijkbaar te maken en de mogelijke invloed van verblijfsduur op voorbereiding op vertrek te beperken, zijn hierin alleen jongeren meegenomen die op 31 december 2019 al 18 jaar of ouder waren. De figuur laat zien dat het relatieve aandeel aantoonbaar vertrek voor en na invoering van het nieuwe model elkaar niet veel ontloopt. Wel zijn er onder ex-AMV’s die onder het nieuwe model zijn opgevangen relatief meer jongeren van wie de procedure nog loopt, terwijl onder degenen die onder het oude model zijn opgevangen juist een groter aandeel alsnog een verblijfsvergunning heeft gekregen.

Beide verschillen zijn mogelijk het gevolg van een tijdseffect: omdat de vertrekprocedures in het nieuwe model recenter zijn, is de kans groter dat deze nog niet zijn afgerond. Tegelijkertijd geldt dat degenen die onder het oude model zijn opgevangen al langer in Nederland verblijven, waardoor de kans groter is dat zij een eventuele herhaalde procedure (succesvol) hebben afgerond. Wat verder opvalt, is dat afgewezen jongeren die onder het nieuwe opvangmodel zijn opgevangen, relatief vaker met onbekende bestemming vertrokken. Het is belangrijk om te benadrukken dat deze vergelijking uitsluitend illustratief is. Het duiden van de beschreven verschillen en het vaststellen van de rol van het opvangmodel in vertrek vraagt om een systematische evaluatie. Daarbij moet ook de invloed van andere factoren worden betrokken, zoals de duur van de procedure, de kans dat AMV’s uit bepaalde herkomstlanden een verblijfsvergunning krijgen, verschillende opvangvormen en eventuele registratieverschillen onder het oude en nieuwe model.

Conclusie

Alleenstaande minderjarige vreemdelingen vormen een bijzonder kwetsbare groep onder de asielzoekers die bescherming zoeken in Nederland. Terwijl het grootste deel van deze jongeren die tussen 2014 en augustus 2019 een asielaanvraag indienden een verblijfsvergunning kreeg, is van ruim een op de vier de asielaanvraag afgewezen. Deze laatste groep jongeren wordt begeleid richting een toekomst buiten Nederland. Uit onze analyses blijkt echter dat (vrijwillig) aantoonbaar vertrek vrij beperkt is onder deze groep en dat meer dan de helft de opvang verlaat met een onbekende bestemming. In de begeleiding van afgewezen AMV’s wordt rekening gehouden met deze mogelijkheid: zo worden de jongeren gewezen op de risico’s van het zonder papieren wonen in Nederland en de mogelijkheden voor vrijwillige terugkeer. Daarnaast is er 24 uur per dag begeleiding aanwezig in de opvang. In de reguliere opvang is echter volledig gesloten opvang niet toegestaan; AMV’s die echt willen vertrekken uit de opvang kunnen dit doen. De overheid vindt dit een zorgelijke ontwikkeling. Om te voorkomen dat deze jongeren uit de opvang met een onbekende bestemming vertrekken zet het beleid zich in door onder andere voor het maken van werkafspraken tussen de betrokken organisaties. Ook worden er in Europees verband afspraken gemaakt aangezien er indicaties zijn dat sommige groepen AMV’s een ‘rondreis’ maken door Europa. Toekomstig onderzoek, waarin het huidige cohort door de jaren heen verder gevolgd wordt, moet uitwijzen hoe het nieuwe opvangmodel verschillende vormen van vertrek onder afgewezen jongeren beïnvloedt.

Sanne Noyon, Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, e-mail: s.m.noyon@wodc.nl
Isik Kulu-Glasgow, Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, e-mail: i.kulu@wodc.nl

Literatuur

KNAW Logo
Cookie consent
This website makes use of third party cookies for traffic analysis. Privacy statement.