De jaren vijftig worden wel de hoogtijdagen van het kostwinnersmodel genoemd. Nooit werkten zo weinig vrouwen in loondienst als toen. Vandaar de term kostwinnersmodel: één persoon zorgde voor het inkomen van het hele gezin, de mannelijke kostwinner, terwijl het huishoudelijk werk van de vrouwen niets opbracht voor het gezinsinkomen. Tijdreeksen van het Centraal Planbureau (CPB) bevestigen op het eerste oog het beeld van de hoogtijdagen van dit kostwinnersmodel. De arbeidsparticipatie van vrouwen lag in de jaren vijftig en begin jaren zestig structureel op een niveau van 33 à 34 procent. Niet meer dan één op de drie vrouwen was actief op de arbeidsmarkt. Aan het eind van de jaren vijftig lag het percentage zelfs iets lager dan in 1950.
Toch zeggen deze tijdreeksen niet alles. Sinds de Arbeidswet van 1889 moesten werkgevers zogenoemde arbeidskaarten aanvragen voor gehuwde vrouwen die bij hen in loondienst waren. Deze kaarten dienden vooral om de omvang van de vrouwenarbeid te registreren en in kaart te brengen. De uitreiking van die kaarten werden bijgehouden door de Arbeidsinspectie, en deze data tonen iets opmerkelijks. In de Jaren vijftig en zestig was er juist een ongekende groei van het aantal werkende gehuwde vrouwen, van 15 duizend in 1947 naar bijna 45 duizend in 1960, een groei van bijna 200 procent. Hoe valt dat te rijmen met het uitblijven van een toename in de arbeidsparticipatie van vrouwen? De verklaring ligt in de samenstelling van de vrouwelijke beroepsbevolking. De meeste werkende vrouwen waren jonge ongehuwde vrouwen, maar doordat vrouwen in de periode 1945-1970 steeds jonger trouwden – de gemiddelde huwelijksleeftijd daalde van circa 26 jaar eind jaren veertig tot 22,7 in 1970 – verdwenen er meer vrouwen uit deze groep van de arbeidsmarkt dan er werkende gehuwde vrouwen bijkwamen. De stijging van het aantal werkende gehuwde vrouwen leidde daarom niet tot een stijging van het totaal aantal werkende vrouwen.

Toen de Arbeidsinspectie in haar jaarverslagen de toename van het aantal werkende gehuwde vrouwen publiceerde, zorgde dit voor een interessante dynamiek in het overleg tussen werkgevers, vakbonden en kerkelijke instanties. Verschillende partijen vreesden dat het verschijnsel van werkende gehuwde vrouwen “massale vormen” aan zou nemen, terwijl diezelfde groepen zich ook druk maakten over het oplopende “vrouwentekort” op de arbeidsmarkt. Hier speelt wel mee dat de arbeidskaartenplicht alleen gold voor de industrie. Vakbonden en kerkelijke instanties gebruikten de arbeidskaartgegevens dus vooral om hun ongemak te uiten over gehuwde vrouwen in de fabrieken, terwijl diezelfde groepen zich minder zorgen maakten over vrouwen in de zorg of het onderwijs, werk dat als meer “passend” voor vrouwen werd gezien.
De jaren vijftig waren dus tegelijk het dieptepunt in de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt als ook een omslagpunt. Het hangt ervan af welke cijfers je kiest. Het participatiepercentage bevestigt het beeld van het dominante kostwinnersmodel, terwijl de sterke toename in arbeidskaarten en het debat dat daarop volgde juist ook een onderstroom laten zien van een beginnende emancipatie op de arbeidsmarkt.
Timon de Groot, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, e-mail: timon.de.groot@iisg.nl
Literatuur
- Groot, T.J. de (2023), Part-time employment in the breadwinner era: Dutch employers’ initiatives to control female labor force participation, 1945–1970. Enterprise & Society, 24 (3), pp. 784-810.
