Het metaboolsyndroom in kaart gebracht

SANDER VAN ZON, SANDRA BROUWER & UTE BÜLTMANN | 27 november 2020 | DEMOS jaargang 36, nummer 10 - november / december 2020
Het metaboolsyndroom, een combinatie van risicofactoren voor chronische ziekten zoals hart- en vaatziekten en diabetes, komt in Nederland veel voor onder de beroepsbevolking. Ouderen, lager geschoolden, en werknemers in lager geschoolde beroepsgroepen hebben onevenredig vaak het metaboolsyndroom en lopen daarmee het risico ernstige aandoeningen, zoals hart- en vaatziekten en diabetes, te ontwikkelen.

Hart- en vaatziekten en diabetes ontstaan niet zomaar. Voordat mensen dit soort aandoeningen ontwikkelen hebben ze meestal al specifieke lichamelijke problemen zoals overgewicht, een hoge bloeddruk of een te hoog cholesterolgehalte. Wanneer een combinatie van dergelijke lichamelijke problemen aanwezig is, wordt gesproken over het metaboolsyndroom, een stofwisselingstoornis die gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van een aantal risicofactoren voor hart- en vaatziekten en diabetes (type 2). Een individu heeft het metaboolsyndroom als aan ten minste drie van de vijf volgende criteria wordt voldaan: te grote buikomtrek, hoge bloeddruk, te veel bloedvetten, een te laag “goed” cholesterolgehalte (HDL-cholesterol), en een verhoogde bloedsuikerspiegel. Het risico voor het ontwikkelen van hart- en vaatziekten en/of diabetes is voor mensen met het metaboolsyndroom minimaal twee tot drie keer zo groot dan voor mensen zonder dit syndroom. Slecht gezondheidsgedrag, getypeerd door slechte voeding en te weinig fysieke activiteit, ligt over het algemeen ten grondslag aan het metaboolsyndroom.

Om hart- en vaatziekten en diabetes type 2 te voorkomen is het zowel voor mensen zelf als voor zorgprofessionals belangrijk om vroegtijdig tekenen van het metaboolsyndroom te herkennen. Op die manier kunnen beide partijen tijdig preventieve maatregelen nemen om ernstige gezondheidsproblemen te voorkomen. Het in kaart brengen van de prevalentie (het aantal gevallen van een aandoening op een bepaald moment) van het metaboolsyndroom over verschillende leeftijdsgroepen, opleidingsniveaus en beroepsgroepen is een belangrijke eerste stap hierbij. Preventieve maatregelen voor het reduceren van het metaboolsyndroom kunnen namelijk pas gericht ingezet worden als op populatieniveau de omvang van het gezondheidsprobleem bekend is en duidelijk is welke groepen het grootste risico lopen.

Gezond blijven is voor zowel individuen als voor de maatschappij van groot belang. Voor individuen is het belangrijk omdat gezondheidsproblemen samengaan met beperkingen, zorggebruik, en verminderde maatschappelijke participatie. Mensen met gezondheidsproblemen werken bovendien minder vaak, en als ze werken hebben zij een hoger risico op ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Voor de maatschappij is het belangrijk dat mensen gezond zijn zodat het gezondheidssysteem en het socialezekerheidsstelsel betaalbaar blijven. Zorggebruik en verminderde arbeidsparticipatie kosten immers veel geld.

Aanwezigheid van het metaboolsyndroom

De prevalentie van het metaboolsyndroom is in verschillende leeftijdsgroepen, opleidingsniveaus en beroepsgroepen in kaart gebracht met data van de Lifelines Cohort Studie en Biobank. Lifelines is een grootschalig representatief onderzoek in de drie Noordelijke provincies van Nederland. Tussen 2006 en 2013 hebben 167.729 mensen van alle leeftijden meegewerkt aan dit onderzoek. Deelnemers hebben vragenlijsten ingevuld, fysieke metingen ondergaan (bijvoorbeeld lengte en gewicht), en bloed afgestaan. Met deze informatie is het mogelijk vast te stellen of mensen het metaboolsyndroom hebben. Daarnaast zijn de beroepen van ongeveer 75.000 werkende deelnemers vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Onder deze werkende deelnemers hebben wij de prevalentie van het metaboolsyndroom in kaart gebracht naar leeftijd, opleidingsniveau, en beroepsgroep.

Metaboolsyndroom naar leeftijd

Het syndroom komt voor bij 18 procent van de werkende mannen en 11 procent van de werkende vrouwen. De prevalentie verschilt echter sterk per leeftijdsgroep en neemt van ongeveer twee tot drie procent onder 18-24-jarigen toe tot wel 26 procent bij vrouwen en 33 procent bij mannen van 60-64 jaar (zie figuur 1). De prevalentie van het metaboolsyndroom is met uitzondering van de leeftijdscategorie 18-24-jarigen hoger voor mannen dan voor vrouwen. De toename van het percentage mensen met dit syndroom in oudere leeftijdsgroepen is te verklaren doordat het verouderingsproces gepaard gaat met een aantal lichamelijke veranderingen. Zo neemt bijvoorbeeld de elasticiteit van de bloedvaten af waardoor de bloeddruk toeneemt en wordt de vetstofwisseling trager waardoor de kans op overgewicht toeneemt. De gevonden prevalentie van het metaboolsyndroom komt overeen met Europese schattingen; vier procent van de 20-29-jarigen en bijna 30 procent van de 60-69-jarigen heeft binnen Europa het metaboolsyndroom.

…naar opleiding

Naast verschillen tussen leeftijdsgroepen zien we ook een duidelijk verschil tussen opleidingsniveaus. Het metaboolsyndroom komt vaker voor bij lager geschoolden. Figuur 2 laat duidelijk zien dat hoe lager het opleidingsniveau, hoe hoger de prevalentie van het syndroom. Onder mannen met een universitaire opleiding heeft 10 procent het bewuste syndroom, terwijl dit 25 procent is onder mannen met lager of voorbereidend beroepsonderwijs en bijna 50 procent onder mannen zonder opleiding. Bij vrouwen ligt de prevalentie veel lager en komt die niet boven de 20 procent uit, ongeacht het opleidingsniveau. Onder vrouwen met een universitaire opleiding heeft vijf procent het metaboolsyndroom en dit loopt op tot 19 procent onder vrouwen zonder opleiding. De bevinding dat de prevalentie van het syndroom hoger is bij lagere opleidingsniveaus is eerder aangetoond in bijvoorbeeld Duitsland en Finland en is voor veel andere aandoeningen zoals hart- en vaatziekten en diabetes ook het geval. De verschillen in de prevalentie van het metaboolsyndroom tussen mannen en vrouwen zien we ook terug in eerder onderzoek. De Finse studie laat bijvoorbeeld zien dat 21 procent van de mannen met een universitaire opleiding het metaboolsyndroom heeft, tegenover 14 procent van de vrouwen. De relatief hoge prevalentie van het metaboolsyndroom onder Finse mannen en vrouwen kan worden verklaard door het hoge aantal deelnemers met obesitas (78% van de mannen, 32% van de vrouwen) en hoge bloeddruk (84% van de mannen, 73% van de vrouwen). Zowel obesitas als een hoge bloeddruk zijn volgens de onderzoekers enorme gezondheidsproblemen in Finland.

… en beroepsgroepen

Zowel bij mannen als vrouwen hebben werknemers in de beroepsgroep ‘bedieners van machines en installaties’ veruit de hoogste prevalentie van het metaboolsyndroom (respectievelijk 25% en 20%) (zie figuur 3). Werknemers binnen deze beroepsgroep bedienen industriële machines, besturen treinen of gemotoriseerde voertuigen, en monteren verschillende componenten van producten; werk gebeurt veelal zittend en het vereiste opleidingsniveau is relatief laag. Verder zijn er opvallende verschillen tussen werkende mannen en vrouwen. In beroepsgroepen waar een hoog opleidingsniveau voor nodig is, zoals onderzoekers, ingenieurs en specialisten (hoogste vaardigheidsniveau, 4), managers (vaardigheidsniveau 3 en 4), en vakspecialisten (vaardigheidsniveau 3), is de prevalentie van het metaboolsyndroom het laagst bij vrouwen. Bij mannen is de prevalentie juist relatief hoog onder vakspecialisten en managers. Vervolgens zien we dat de prevalentie van het metaboolsyndroom bij vrouwen in elementaire beroepen (laagste vaardigheidsniveau 1) het hoogst is na de beroepsgroep bedieners machines en installaties. Bij mannen is de prevalentie van het metaboolsyndroom juist relatief laag in de elementaire beroepen. Een verklaring zou kunnen zijn dat mannen in elementaire beroepen zware fysieke activiteit moeten leveren, waar dit bij vrouwen wellicht minder het geval is. Desalniettemin ligt de prevalentie van het metaboolsyndroom voor de beroepsgroepen bij vrouwen dus in de lijn van het opleidingsniveau, terwijl dat onder mannen minder duidelijk is. Het is onduidelijk waarom dat zo is, en er is aanvullend onderzoek nodig om de deze verschillen te duiden.

Onze bevindingen komen overeen met eerder onderzoek uit de Verenigde Staten en Spanje dat ook liet zien dat werknemers in lager geschoolde beroepsgroepen vaker het metaboolsyndroom hebben. Vervolgonderzoek moet aantonen waarom het syndroom vaker voorkomt bij mensen met een lager opleidingsniveau en onder werknemers in bepaalde beroepsgroepen. Het is aannemelijk dat verschillen in gezondheidsgedrag hierbij een rol spelen hetgeen ook in voorgaand onderzoek wordt gesuggereerd, hoewel gezondheidsgedrag niet alles verklaart. Ook uit Spaans onderzoek komt naar voren dat de prevalentie van het metaboolsyndroom bij vrouwen meer gebonden lijkt te zijn aan het opleidingsniveau dat nodig is om een bepaald beroep uit te voeren dan bij mannen. Het is belangrijk beter te begrijpen waarom de risicoberoepen voor het metaboolsyndroom bij mannen minder in de lijn van het opleidingsniveau ligt. Deze bevinding suggereert namelijk dat preventieve maatregelen of interventies bij mannen niet alleen op basis van opleidingsniveau kunnen worden ingezet, managers behoren immers tot een beroepsgroep waarvoor een hoger opleidingsniveau nodig is.

Van onderbelicht probleem naar oplossing

De resultaten zoals hierboven beschreven suggereren dat preventieve maatregelen om het metaboolsyndroom aan te pakken breed moeten worden ingezet. Voorlichting met als doel bewustwording over de hoge prevalentie van het metaboolsyndroom en de gerelateerde gezondheidsrisico’s sluit goed aan bij de breed uitgedragen voorlichting over het belang van een gezonde leefstijl. Bewustwording is belangrijk omdat mensen met dit syndroom, of onderdelen ervan, vaak nog niet zijn gediagnosticeerd met een chronische aandoening en dus wellicht niet inzien hoeveel risico ze lopen een ernstige aandoening te ontwikkelen. De belangrijkste aanbeveling om het metaboolsyndroom, en hieraan gerelateerde chronische ziekten als hart- en vaatziekten en diabetes, te voorkomen of te reduceren is daarbij gewichtsverlies door middel van goede voeding en fysieke activiteit, of nog beter het voorkomen van overgewicht en obesitas. Ook steeds meer kinderen ontwikkelen op jonge leeftijd al overgewicht door ongezonde voeding en inactiviteit. Momenteel heeft 10 tot 15 procent van de kinderen in Nederland overgewicht, waarvan twee procent ernstig. In het kader van preventie is het daarom belangrijk een levensloopperspectief te hanteren en kinderen van jongs af aan een gezonde leefstijl aan te leren om gezondheidsproblemen op latere leeftijd te voorkomen. Hiervoor is een integrale aanpak nodig, waarbij naast de ouders of verzorgers, verschillende organisaties zoals de rijksoverheid, de jeugdgezondheidszorg, huis- en kinderartsen en de school een rol spelen.

Sander van Zon, UMCG, Rijksuniversiteit Groningen, e-mail: s.k.r.van.zon@umcg.nl
Sandra Brouwer, UMCG, Rijksuniversiteit Groningen, e-mail: sandra.brouwer@umcg.nl
Ute Bültmann, UMCG, Rijksuniversiteit Groningen, e-mail: u.bultmann@umcg.nl

Literatuur

KNAW Logo
Cookie toestemming
Deze website maakt gebruik van cookies van derde partijen voor analyse van dataverkeer. Privacyverklaring.