Foto: Ernst Wallinga / Flickr

Doorwerken na pensionering beperkt deelname vrijwilligerswerk

OLGA GRÜNWALD, MARLEEN DAMMAN & KÈNE HENKENS | 30 april 2021 | DEMOS jaargang 37, nummer 4 - april 2021
Veel gepensioneerden doen vrijwilligerswerk, verlenen mantelzorg of passen op hun kleinkinderen. Op die manier leveren zij een belangrijke bijdrage aan de samenleving. Het aandeel ouderen dat betaald blijft werken na pensionering neemt echter toe. Doorwerken na pensionering staat vrijwilligerswerk in de weg, maar oppassen op kleinkinderen of mantelzorg worden hierdoor niet beperkt.

Het huidige beleid in Nederland is erop gericht om mensen langer op de arbeidsmarkt te houden. De AOW-leeftijd is verhoogd, routes voor vervroegde uittreding zijn geblokkeerd en barrières om te werken na pensionering worden geleidelijk minder. Uit recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de arbeidsmarktparticipatie van ouderen sinds de eeuwwisseling gestaag is toegenomen. Terwijl in 2003 de netto arbeidsparticipatie van 70-plussers nog drie procent was, is deze toegenomen tot acht procent in 2019. Wanneer mensen langer betaald doorwerken ook nadat ze pensioengerechtigd zijn, kan dit hun tijd en mogelijkheden beperken om andere activiteiten te verrichten. Een belangrijke vraag is wat de invloed van deze ontwikkelingen is op deelname aan onbetaalde activiteiten zoals vrijwilligerswerk, mantelzorg en oppassen op kleinkinderen. Er is tot op heden echter nog maar weinig bekend over het effect van doorwerken na pensionering op het verrichten van deze onbetaalde taken.

In dit artikel bestuderen we op basis van gegevens uit het NIDI-onderzoek Werk en Pensioen (zie kader) de relatie tussen pensionering en drie onbetaalde activiteiten voor een groep 60-plussers: vrijwilligerswerk, mantelzorg en zorg voor kleinkinderen. Op het eerste meetmoment – in 2015 – waren alle respondenten nog werkzaam. We vergelijken drie groepen: (1) degenen die tussen 2015 en 2018 zijn blijven doorwerken in hun carrièrebaan; (2) degenen die gedurende deze periode volledig met pensioen zijn gegaan; en (3) de zogenaamde ‘doorstarters’: zij die na hun pensionering nog (al dan niet gedeeltelijk) betaald werk blijven doen. Gedurende de onderzoeksperiode is 42 procent van de deelnemers blijven doorwerken in hun huidige baan (niet gepensioneerd), 50 procent is volledig met pensioen gegaan en acht procent is met pensioen gegaan maar werkt nog wel. Deze laatste categorie bestaat vooral uit mensen die in deeltijd werken; de helft van hen werkt minder dan 24 uur per week en slechts een op de acht werkt nog voltijds door na pensionering.

In de internationale literatuur over deelname aan onbetaalde productieve activiteiten, wordt tot op heden meestal geen onderscheid gemaakt tussen mensen die volledig zijn gestopt met werken en mensen die na hun pensionering nog gedeeltelijk zijn blijven werken, terwijl dat onderscheid wel relevant is. Men kan bijvoorbeeld verwachten dat doorstarters zich anders bezighouden met vrijwilligerswerk, mantelzorg en met het oppassen op hun kleinkinderen dan de volledig gepensioneerden. Hoewel doorstarters meestal meer vrije tijd hebben door hun (deeltijd-)pensionering – werken na de pensionering is vaak flexibeler en vereist minder werkuren dan hun eerdere baan – hebben ze naar verwachting minder vrije tijd dan volledig gepensioneerden. Bovendien kunnen werkende gepensioneerden sociale contacten blijven onderhouden op het werk.

Vrijwilligerswerk

Pensionering wordt doorgaans in verband gebracht met een toenemende deelname aan vrijwilligerswerk. Gepensioneerden krijgen immers meer tijd tot hun beschikking en vrijwilligerswerk biedt de mogelijkheid deze tijd zinvol en sociaal actief door te brengen. In dit onderzoek zien we een toename van deelname aan vrijwilligersactiviteiten na pensionering duidelijk terug (zie figuur 1). Vrijwilligerswerk werd daarbij gemeten als minimaal wekelijks actief zijn voor een vrijwilligersorganisatie. Bij degenen die in de onderzoeksperiode volledig stopten met betaald werk, nam het percentage vrijwilligerswerk toe van 19 procent voor pensionering tot 35 procent na pensionering. Ter vergelijking, in de groep 60-plus werknemers die nog niet pensioengerechtigd was veranderde het percentage vrijwilligers nauwelijks in de onderzochte periode.

Figuur 1. Aandeel respondenten dat ten minste wekelijks vrijwilligerswerk verricht naar werk/pensioenstatus in 2018*

Volledig met pensioen gaan is overigens niet altijd de gewenste situatie. Sommige gepensioneerden willen graag blijven werken na pensionering, maar kunnen geen betaald werk vinden. In totaal gaat het in dit onderzoek om ongeveer een op de tien gepensioneerden. Vooral in deze groep zien we een sterke stijging in het aantal vrijwilligers (van 18 procent voor pensionering tot 46 procent erna). Deze uitkomst versterkt het beeld dat vrijwilligerswerk een belangrijke rol speelt bij het vormgeven van een leven zonder betaald werk. De belangrijkste motieven voor het gaan doen van vrijwilligerswerk zijn sociale contacten, kennis delen en iets betekenen voor een ander (ongeveer twee derde van de respondenten noemt deze motieven). Veel minder vaak worden het verwerven van status en waardering van anderen genoemd. Deze laatste motieven zijn echter wel belangrijker voor degenen die geen betaald werk konden vinden na hun pensionering.

Een bijzondere groep vormen degenen die na hun pensionering in betaalde arbeid actief zijn gebleven. Dit betreft overwegend werk dat flexibel is en in deeltijd wordt uitgevoerd. Ons onderzoek laat zien dat in deze groep de participatie in vrijwilligerswerk nauwelijks toeneemt (van 19 procent voor pensionering tot 22 procent na pensionering). Dit resultaat suggereert dat het deels actief blijven in betaald werk na de pensioenleeftijd een rem is op het starten van vrijwilligerswerk.

Mantelzorg

Figuur 2 toont het percentage mantelzorgers voor de verschillende groepen oudere werknemers en gepensioneerden. Het combineren van betaalde arbeid en mantelzorg komt veelvuldig voor. Ruwweg een derde van de 60-plus werknemers zorgde op het eerste meetmoment in 2015 naast het werk ten minste wekelijks voor een hulpbehoevend familielid. De meeste ondervraagden (90 procent) bieden deze frequente hulp aan de naaste familie: partner, kind, ouder of schoonouder. Bijna de helft biedt ondersteuning aan twee of meer personen. De meesten bieden hulp bij het huishouden, vervoer of administratie; 29 procent helpt de zorgvrager met lichamelijke verzorging. Een op de vier van deze oudere mantelzorgers was ook al actief als mantelzorger tussen het vijftigste en zestigste levensjaar. Men zou verwachten dat na pensionering in principe de mogelijkheden om mantelzorg te verlenen kunnen toenemen doordat er meer tijd beschikbaar komt. Ons onderzoek laat echter geen toename van het percentage mantelzorgers zien in de groep gepensioneerden.

Figuur 2. Aandeel respondenten dat ten minste wekelijks mantelzorg verricht naar werk/pensioenstatus in 2018*

Net als bij de groep 60-plussers die nog niet met pensioen zijn gegaan blijft het percentage mantelzorgers onder recent gepensioneerden vrijwel constant. Ook de doorstarters die na hun pensionering actief blijven in betaald werk vertonen geen afwijkend patroon. Dit laat mogelijk zien dat tijdsrestricties niet heel belangrijk zijn bij het al dan niet geven van mantelzorg. Mantelzorg wordt hoe dan ook verricht omdat het nodig is; het is afhankelijk van de hulpvraag uit de omgeving. Deze resultaten suggereren dat een hogere pensioenleeftijd niet zozeer zal leiden tot een afname van het aantal mantelzorgers in de betreffende leeftijdscategorie, maar wel tot een toename van het aantal mensen dat betaald werk combineert met het verlenen van mantelzorg. Eerder onderzoek laat zien dat de combinatie van betaald werk en informele zorg op latere leeftijd belastend en stressvol kan zijn. Aandacht voor deze combinatie van rollen door zowel werkgevers als de overheid is belangrijk om ervoor te zorgen dat oudere werkenden beide rollen in goede gezondheid kunnen blijven vervullen.

Oppassen op kleinkinderen

Hoewel een groot deel van de kinderopvang in Nederland in handen is van kinderdagverblijven en naschoolse opvang, komt het veel voor dat ook opa’s en oma’s wekelijks een dag op de kleinkinderen passen. Bijna de helft van de oudere werknemers met kleinkinderen jonger dan 12 jaar past wekelijks op. Figuur 3 laat zien dat er bij de grootouders die gedurende de onderzoeksperiode niet met pensioen zijn gegaan geen sprake is van een duidelijke verandering in de tijd in termen van het aandeel mensen dat oppast.

Figuur 3. Aandeel respondenten dat ten minste wekelijks oppast op de kleinkinderen naar werk/pensioenstatus in 2018*

Voor grootouders die tijdens de onderzoeksperiode met pensioen zijn gegaan is er wel een duidelijke stijging te zien. Dit geldt zowel voor degenen die volledig met pensioen zijn gegaan (van 48 procent voor pensionering tot 56 procent daarna) als voor degenen die doorwerken na pensionering (van 50 procent voor pensionering tot 60 procent daarna). Oppassen op kleinkinderen is een rol die vele grootouders met plezier vervullen. Wanneer werknemers meer tijd krijgen na hun pensionering en ze op zoek gaan naar een nieuwe invulling van hun week, biedt het oppassen op kleinkinderen een betekenisvolle tijdsbesteding. Betaald werk na pensioen blijkt het oppassen op kleinkinderen niet in de weg te zitten.

Verschillen tussen mannen en vrouwen?

Het is algemeen bekend in de literatuur dat de zorg gerelateerde activiteiten – zoals mantelzorg en oppassen op de kleinkinderen – vaker door vrouwen worden vervuld dan door mannen. Dit is ook het geval als vrouwen betaald werk doen. Het is daarom de vraag of de transitie van werk naar pensioen verschillende effecten heeft voor mannen en vrouwen op de onbetaalde activiteiten die ze vervullen. Aanvullende analyses laten zien dat het effect van volledige pensionering op het verlenen van mantelzorg niet verschilt tussen mannen en vrouwen. Zowel voor mannen als voor vrouwen blijkt volledig met pensioen gaan gemiddeld genomen geen effect te hebben op het verlenen van mantelzorg. Voor oppassen wordt echter wel een verschillend effect van pensionering gevonden voor mannen en vrouwen. Volledig met pensioen gaan vergroot de deelname aan oppasactiviteiten voor mannen meer dan voor vrouwen: voor mannen nam het percentage toe van 43 procent voor pensionering tot 54 procent na pensionering. Ter vergelijking, voor vrouwen nam het percentage toe van 54 procent voor pensionering tot 59 procent na pensionering. Deze bevinding is in lijn met eerder onderzoek dat suggereert dat pensionering met name voor mannen – die veelal gedurende hun hele loopbaan voltijds werken – een kans biedt om hun betrokkenheid bij de familie “in te halen”.

Tot slot

In de Nederlandse samenleving wordt van burgers verwacht dat ze op verschillende vlakken actief zijn. Enerzijds wordt er verwacht dat er voor anderen wordt gezorgd en dat er ondersteuning wordt geboden als er in de naaste omgeving een hulpvraag ontstaat. Anderzijds wordt het zeer aangemoedigd dat mensen deelnemen aan betaald werk en dat ze hun werk tot op hogere leeftijd blijven doen. De onderzoeksresultaten suggereren dat deze beleidsdoelstellingen strijdig kunnen zijn. Doorwerken na pensionering lijkt voornamelijk het doen van vrijwilligerswerk in de weg te staan.

Voor volledig gepensioneerden kan het doen van vrijwilligerswerk een manier zijn om het verlies van de rol als werkende te compenseren. Vrijwilligerswerk biedt veelal sociale contacten, structuur en het gevoel dat men een zinvolle rol vervult. Voor degenen die doorwerken na pensioen, zal de doorstartbaan echter al veel van deze functies vervullen. Zij hebben er mogelijk minder behoefte aan om ook nog als vrijwilliger actief te zijn. Dit heeft als gevolg dat – wanneer meer mensen blijven doorwerken na pensionering – organisaties die afhankelijk zijn van vrijwilligers meer moeite kunnen krijgen om mensen aan te trekken. De mogelijke implicaties van het beleid gericht op langer doorwerken op taken die men vrijwillig dan wel noodgedwongen vervult – denk aan mantelzorg – vormen een belangrijk aandachtspunt voor beleidsmakers.

Olga Grünwald, NIDI-KNAW en Rijksuniversiteit Groningen, e-mail: grunwald@nidi.nl
Marleen Damman, Radboud Universiteit Nijmegen en NIDI-KNAW, e-mail: marleen.damman@ru.nl
Kène Henkens, NIDI-KNAW, Rijksuniversiteit Groningen en Universiteit van Amsterdam, e-mail: henkens@nidi.nl

Literatuur

KNAW Logo
Cookie toestemming
Deze website maakt gebruik van cookies van derde partijen voor analyse van dataverkeer. Privacyverklaring.