Foto: Roel Wijnants /Flickr

Worden de levenslopen van jonge vrouwen complexer?

MICHAËL BOISSONNEAULT & JOOP DE BEER | 27 augustus 2021 | DEMOS jaargang 37, nummer 7 - juli/augustus 2021
Levenslopen lijken op het oog onveranderlijk, maar toch veranderen ze langzaam doch zeker. Voor vrouwen geboren tussen 1977 en 1988 is nagegaan welke veranderingen in hun leefsituatie zijn opgetreden. Gemiddeld maken jonge vrouwen tussen hun 18de en 30ste levensjaar drie tot vier verschillende leefsituaties mee. Het percentage dat terugkeert naar het ouderlijke huis is sterk toegenomen over de generaties.

De traditionele levensloop om vanuit het ouderlijk huis te trouwen en vervolgens kinderen te krijgen geldt al lang niet meer voor de meeste jonge Nederlanders. De transitie naar volwassenheid kent tegenwoordig een veel meer wisselend verloop. Jongere generaties wonen vaker alleen, wonen vaker ongetrouwd samen, krijgen ook vaker kinderen zonder getrouwd te zijn en ze trouwen steeds later of zelfs helemaal niet. Deze fasen in de levensloop hebben minder vaak een vaste volgorde. En veel mensen maken sommige van deze fasen meerdere keren mee. Denk aan mensen die gaan samenwonen, daarna uit elkaar gaan en vervolgens met een andere partner gaan samenwonen.

Deze ontwikkeling hangt samen met lange termijn maatschappelijke trends zoals de afnemende rol van religie en traditionele waarden in het dagelijks leven en het grotere belang van emancipatie en de sterke gerichtheid op de eigen persoonlijkheid en eigen levensdoelen. Daar komt bij dat jongeren de laatste twee decennia te maken hebben gekregen met steeds grotere financiële onzekerheid. Vooral de economische crisis van 2008-2009 heeft ertoe geleid dat jongeren gemiddeld later het ouderlijk huis verlaten en dat jongeren die een tijd zelfstandig hebben gewoond vaker weer terug naar het ouderlijk huis zijn gegaan, omdat ze geen baan konden vinden of omdat ze hun baan kwijt zijn geraakt. Het heeft er ook toe geleid dat jonge generaties langer wachten met kinderen krijgen. De toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt heeft de onzekerheid onder jonge generaties vergroot en deze ontwikkelingen versterkt. Sociologen spreken in dit verband over de toenemende complexiteit van levenslopen. Hiermee wordt bedoeld dat levenslopen een groter aantal transities bevatten en dat deze transities in een steeds minder voorspelbare volgorde plaatsvinden. Een ander belangrijk kenmerk van deze nieuwe transitie naar volwassenheid is dat mensen steeds vaker terugkeren naar een leefsituatie die ze eerder hebben meegemaakt.

Maar zijn de levenslopen van jongere Nederlanders inderdaad complexer geworden in de loop der jaren? Om deze vraag te beantwoorden kijken we naar hoe de complexiteit van de levensloop onder Nederlandse vrouwen tussen hun 18de en hun 30ste levensjaar voor verschillende generaties is veranderd. We kijken naar vrouwen omdat zij transities in hun leven vaker eerder meemaken dan mannen. We gebruiken twee indicatoren van levensloopcomplexiteit: het aantal verschillende leefsituaties (of huishoudensposities) die mensen meemaken en het aantal keer dat mensen eenzelfde leefsituatie (opnieuw) meemaken. Hoe deze twee indicatoren precies zijn berekend wordt in het kader uitgelegd. De eerste indicator meet hoe gevarieerd levenslopen zijn, de tweede indicator in hoeverre levenslopen lineair zijn, d.w.z. dat men niet terugkeert naar een eerder ervaren situatie. We onderscheiden zeven verschillende leefsituaties, gedefinieerd als de volgende huishoudensposities:

  1. In het ouderlijk huis wonen.
  2. Alleen wonen, zonder kinderen.
  3. Ongehuwd samenwonen met een partner, zonder kinderen.
  4. Gehuwd samenwonen, zonder kinderen.
  5. Zonder partner wonen met tenminste één kind.
  6. Ongehuwd samenwonen met tenminste één kind.
  7. Gehuwd samenwonen met tenminste één kind.

We presenteren eerst voor elke generatie, geboren tussen 1977 en 1988, de twee indicatoren van complexiteit. Om beter inzicht te krijgen in de oorzaken van meer of minder levensloopcomplexiteit, kijken we daarna hoe de verandering in complexiteit van bepaalde leefsituaties afhangt.

Levensloopcomplexiteit

De vraag of de complexiteit van levenslopen van jonge vrouwen geboren tussen 1977 en 1998 groter is geworden laat zich niet zonder meer met ja of nee beantwoorden. Figuur 1 laat zien dat de twee maten van complexiteit een verschillend verloop vertonen. Aan de ene kant is het aantal verschillende leefsituaties dat vrouwen hebben meegemaakt licht gedaald. Vrouwen die in 1977 zijn geboren hebben gemiddeld 3,7 verschillende leefsituaties meegemaakt tussen leeftijd 18 en 30 jaar terwijl dit voor vrouwen geboren in 1988 3,3 is. Er was dus minder variatie onder de jongste generatie. Aan de andere kant is het gemiddeld aantal keer dat mensen dezelfde leefsituatie hebben meegemaakt, licht toegenomen. Vrouwen die in 1977 zijn geboren hebben gemiddeld 1,3 keer dezelfde situatie ervaren tegenover 1,5 keer voor vrouwen die in 1988 zijn geboren. Dit duidt op toenemende complexiteit omdat levenslopen dus steeds minder lineair zijn.

Figuur 1. Aantal verschillende leefsituaties per vrouw (a) en het gemiddeld aantal keer dat een vrouw elke ervaren leefsituatie meemaakt (b), tussen leeftijd 18 en 30, per cohort geboren tussen 1977 en 1988

Oorzaak veranderende complexiteit

Volgens onze resultaten hebben Nederlandse vrouwen tussen leeftijd 18 en 30 gemiddeld drie tot vier van de zeven leefsituaties meegemaakt. Bovendien hebben ze die ervaren situaties gemiddeld anderhalve keer meegemaakt. Dat laatste gegeven betekent dat veel vrouwen een leefsituatie hebben meegemaakt waarin ze zich al eerder in hun levensloop hebben bevonden. Dit geldt niet even sterk voor alle huishoudensposities. Figuur 2 laat zien dat de daling van het aantal verschillende leefsituaties dat vrouwen tussen 18 en 30 jaar hebben meegemaakt vooral komt doordat minder vrouwen vóór hun dertigste zijn getrouwd. Van de vrouwen die in 1977 zijn geboren was zestig procent vóór hun dertigste getrouwd en had al dan niet kinderen gekregen, tegen minder dan dertig procent van de vrouwen die in 1988 zijn geboren. Daarentegen hebben 20 procent meer vrouwen van de jongste generatie alleen gewoond. Ook het krijgen van kinderen zonder getrouwd te zijn is toegenomen, althans tot cohort 1983; voor latere cohorten is dit redelijk stabiel gebleven. Ongetrouwd samenwonen is onder alle cohorten ongeveer even populair: tussen 70 en 80 procent. Ongeveer tien procent van de vrouwen zijn vóór hun dertigste alleenstaande moeder geweest.

Figuur 2. Percentage vrouwen dat een leefsituatie tenminste één keer heeft meegemaakt tussen leeftijd 18 en 30, naar leefsituatie (huishoudenspositie) en geboortecohort

Figuur 3 laat zien dat het percentage vrouwen dat is teruggekeerd naar het ouderlijk huis relatief sterk is toegenomen: van 8 procent bij vrouwen geboren in 1977 naar 18 procent bij vrouwen geboren in 1988. Ook was er een sterke toename van het percentage vrouwen dat meerdere keren alleen heeft gewoond en meerdere keren ongetrouwd heeft samengewoond. Gedaald is het percentage vrouwen dat vóór hun dertigste al twee keer getrouwd was.

Figuur 3. Percentage vrouwen dat terugkeert naar een eerdere leefsituatie tussen leeftijd 18 en 30, naar de betreffende leefsituatie (huishoudenspositie) en geboortecohort

Toenemende complexiteit?

Worden de levenslopen van jonge Nederlandse vrouwen complexer naarmate ze later zijn geboren? Deze vraag laat zich niet eenduidig beantwoorden. Aan de ene kant niet, want jongere cohorten ervaren minder nieuwe leefsituaties voordat ze 30 jaar worden dan oudere cohorten. Aan de andere kant wel, want jongere cohorten keren vaker terug naar reeds ervaren leefsituaties. Het is de zogenaamde ‘triade’ – wonen in het ouderlijk huis, alleen wonen, en wonen ongetrouwd samen zonder kinderen – die voor toenemende complexiteit zorgt. Zolang men niet getrouwd is en geen kinderen heeft maakt men een steeds groter aantal transities tussen deze drie leefsituaties mee. Deze fase duurt langer onder jongere generaties omdat steeds minder vrouwen trouwen of kinderen krijgen voor dertigjarige leeftijd.

Dit roept de vraag op in hoeverre dit is toe te schrijven aan het gebrek aan financiële stabiliteit onder jongeren. De economische crisis van 2008- 2009 en de lange nasleep daarvan heeft gezorgd voor uitstel van huwelijken en kinderen krijgen onder generaties die in de jaren tachtig zijn geboren. Mensen blijven langer alleen wonen of ongetrouwd samenwonen en die situatie is vaak minder stabiel dan wanneer men getrouwd is of kinderen heeft. Financiële redenen in combinatie met de krapte op de woningmarkt kunnen ook een oorzaak zijn waarom meer jonge vrouwen teruggaan naar het ouderlijk huis. Ook meer fundamentele maatschappelijke veranderingen kunnen een rol spelen. Het is mogelijk dat jonge generaties naar meer onafhankelijkheid streven, langer studeren en later voor trouwen en kinderen kiezen. Het streven naar meer onafhankelijkheid kan ook verklaren waarom steeds meer vrouwen ten minste één keer alleen wonen.

Hoewel de afschaffing van de basisbeurs in 2014 ertoe heeft geleid dat studenten langer bij hun ouders zijn blijven wonen, zien we dit nog niet terug in onze analyses want de generatie van 1988 was al 26 jaar toen de basisbeurs werd afgeschaft. Later uit huis gaan kan ertoe leiden dat jongeren minder vaak zullen terugkeren naar het ouderlijk huis. Dit zou leiden tot minder complexe levenslopen. Het kan er ook toe leiden dat trouwen en kinderen krijgen tot nog hogere leeftijden worden uitgesteld. Hierdoor neemt de kans toe dat het daar helemaal niet meer van komt, hetgeen mogelijk tot minder stabiliteit kan leiden. De overgang naar volwassenheid blijft een turbulente levensfase en door uitstel van trouwen en kinderen kan deze fase een steeds groter deel van het leven in beslag nemen.

Michaël Boissonneault, NIDI-KNAW/Rijksuniversiteit Groningen, e-mail: Boissonneault@nidi.nl
Joop de Beer, NIDI-KNAW/Rijksuniversiteit Groningen, e-mail: beer@nidi.nl

Literatuur

KNAW Logo
Cookie toestemming
Deze website maakt gebruik van cookies van derde partijen voor analyse van dataverkeer. Privacyverklaring.