Sinds de komst van gastarbeiders naar Nederland in de jaren zestig is de bevolking met een migratieachtergrond aanzienlijk gegroeid en diverser geworden. Naast de gastarbeiders uit Zuid-Europa, Turkije en Marokko wonen hier nu ook hun nabestaanden, mensen uit voormalige Nederlandse kolonies, arbeidsmigranten uit Oost- Europa en vluchtelingen. Hierdoor heeft volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in 2026 meer dan een kwart van de hedendaagse Nederlandse samenleving een migratieachtergrond. Ongeveer 17 procent van de bevolking is van de eerste generatie en 12 procent van de tweede generatie. De eerste generatie is zelf in het buitenland geboren en de tweede generatie is in Nederland geboren, met één of twee in het buitenland geboren ouders.
Migratie is een van de meest besproken en gepolitiseerde onderwerpen in Nederland. Voor- en tegenstanders staan steeds meer tegenover elkaar, wat een evenwichtige discussie over migratiebeleid in de weg staat. Bovendien zijn houdingen tegenover migranten niet alleen relevant voor het maatschappelijke debat, maar ook voor migranten zelf: hoe zij door de ontvangende samenleving worden beoordeeld beïnvloedt hun integratie, de toegang tot werk en hun gevoel van erbij horen. Tegelijkertijd zegt de manier waarop zij zelf denken over mensen met een vergelijkbare achtergrond iets over hoe zij zich verhouden tot zowel de ontvangende samenleving als de migrantengemeenschap, en daarmee over integratie- en identificatieprocessen die zich over generaties heen voltrekken.
Eerder onderzoek naar houdingen tegenover migranten in Nederland wordt vaak gedaan vanuit het oogpunt van de Nederlander zonder migratieachtergrond of de totale bevolking. Het Sociaal Cultureel Planbureau schetste bijvoorbeeld in 2025 een duidelijk beeld van hoe de bevolking denkt over de huidige migratie en welke criteria men belangrijk vindt bij toelating. In dit rapport wordt echter geen onderscheid gemaakt in standpunten tussen groepen met en zonder een migratieachtergrond. Dit onderscheid is relevant: zo stemmen mensen met een migratieachtergrond bijvoorbeeld vaker op kandidaten met een migratieachtergrond of partijen die etnische minderheden vertegenwoordigen, zoals DENK en BIJ1.
Gezien de eerdergenoemde diversificatie en de gepolitiseerde context, is er meer verdieping nodig in het onderzoek naar de houding ten opzichte van migranten. Zijn er verschillen in standpunten over migratie en migranten tussen Nederlanders met en zonder migratieachtergrond, en tussen de eerste en de tweede generatie? Zo ja, waar liggen die verschillen dan precies?
Opvattingen over migratie
We vroegen bijna 3.900 respondenten hun mening te geven over stellingen over migratie en over mensen met een migratieachtergrond (zie kader). Het bleek dat de meningen van de drie onderscheiden groepen – eerste en tweede generatie migranten en mensen zonder migratieachtergrond – niet sterk van elkaar verschillen. Al lijken eerste en tweede generatie vaak meer op elkaar en verschillen zij van de groep zonder migratieachtergrond (zie figuur 1). Bij de economische stellingen en die over criminaliteit is een terugkerend patroon zichtbaar. Telkens vinden we het hoogste percentage dat het eens is met de stelling bij de groep zonder migratieachtergrond, en het hoogste percentage dat het oneens is bij de tweede generatie migranten.

Hoewel bijna een derde van de groep zonder migratieachtergrond vindt dat mensen met een migratieachtergrond Nederland meer kosten dan ze opbrengen, geldt dit slechts voor ongeveer 20 procent van de eerste en tweede generatie. Een vergelijkbaar patroon zien we bij de stellingen over woningtekort en criminaliteit, waar 22 tot 25 procent van respondenten met een migratieachtergrond het eens is, tegenover iets meer dan een derde van de Nederlanders zonder migratieachtergrond.
Er zijn dus duidelijk meningsverschillen tussen de groepen. Opvallend is dat de tweede generatie, die dus in Nederland is geboren, de grootste kloof laat zien met personen zonder migratieachtergrond. Toch is er één punt waarover alle groepen het grotendeels eens zijn, en dat is dat mensen met een migratieachtergrond zich moeten aanpassen aan de Nederlandse cultuur. Minstens twee derde van elke groep is het hiermee eens, al is dit aandeel opnieuw het grootst onder personen zonder migratieachtergrond (78 procent) en het kleinst onder tweede generatie migranten (67 procent).
Een vignetstudie
Een tweede gedeelte van het onderzoek was een zogenaamde vignetstudie waarin de houding van respondenten tegenover immigranten met bepaalde kenmerken wordt onderzocht. De respondenten kregen vijf hypothetische profielen of beschrijvingen voorgelegd van personen die naar Nederland zijn gemigreerd. Deze profielen verschilden willekeurig naar geslacht, herkomstland, religie, verblijfsduur en beroep. In totaal beoordeelden de respondenten 19.305 profielen. Bij elk profiel legden we respondenten de vraag voor: “In hoeverre vindt u dat [mevr./dhr.] [initialen immigrant] goed in de Nederlandse samenleving past?” Zij antwoordden op een schaal van 0 tot 100, waarbij 0 staat voor “past heel slecht” en 100 voor “past heel goed”. Hierdoor konden we berekenen in hoeverre elk van deze kenmerken van migranten van invloed is op de manier waarop de respondenten de profielen van migranten beoordelen. Gemiddeld kregen de profielen een waardering van 64. De cijfers in de figuren laten zien hoeveel punten een bepaald kenmerk positiever of negatiever scoort. Een score van -10 betekent bijvoorbeeld een gemiddeld 10 punten lagere beoordeling. Het voordeel van deze methode is dat het effect van één kenmerk wordt berekend terwijl alle andere kenmerken willekeurig variëren. Figuur 2 toont de resultaten van de vignetstudie waarbij iedere respondent vijf willekeurige migrantenprofielen beoordeelde. Hieruit blijkt dat sommige kenmerken zwaarder meetellen in het oordeel dan andere. De respondenten hechten het meeste belang aan beroep. In vergelijking met een werkloze immigrant, beoordelen de respondenten een immigrant die als schoonmaker werkt gemiddeld 19 punten hoger op de schaal en een IT-specialist 23 punten hoger. Opvallend is dat de scores van een schoonmaker en IT-specialist dicht bij elkaar liggen: of iemand een baan heeft lijkt belangrijker dan het prestige van het beroep. Aan de andere kant zijn er ook kenmerken die negatiever worden beoordeeld. Zo zouden moslim-migrantenprofielen gemiddeld minder goed in de Nederlandse samenleving passen (-6 punten) dan niet-religieuze migranten. Ook Marokkaanse en Turkse migrantenprofielen zouden minder goed in de Nederlandse samenleving passen dan migranten met een Duitse achtergrond (-4 en -3 punten respectievelijk). Deze effecten zijn echter kleiner dan die van beroep. Daarentegen worden Surinaamse migranten niet anders beoordeeld dan Duitsers. Wat ook weinig verschil lijkt te maken, is het geslacht van de migrant en hoe lang deze al in Nederland verblijft.

De kenmerken die wij varieerden, zijn deels cultureel van aard (herkomstland, religie en verblijfsduur) en deels economisch (beroep). Een verklaring voor het verschil in belangen bij de verschillende kenmerken kan zijn dat oordelen over migranten vaak op twee overwegingen berusten: draagt iemand economisch bij, en staat iemand cultureel dichtbij of juist veraf? De economische overweging betreft werkgelegenheid, inkomen en het beroep dat iemand doet op collectieve voorzieningen. De culturele overweging betreft waarden, tradities en de vraag of iemands achtergrond aansluit bij wat men als de Nederlandse cultuur beschouwt. De negatievere beoordeling van een bepaalde herkomst of religie hangt vermoedelijk samen met de culturele afstand die wordt ervaren. Het juist positieve gewicht van een beroep laat zich economisch verklaren: van een werkende migrant wordt eerder gedacht dat hij of zij bijdraagt en geen beroep zal doen. Geslacht zegt daarentegen weinig over economische bijdrage of culturele nabijheid en telt daarom misschien minder in de beoordeling.
Verschillen tussen groepen in de samenleving
Vergelijken we de beoordeling van profielen tussen de groepen respondenten, dan zien we opnieuw opvallende verschillen. Figuur 3 toont per groep in welke mate een migrantenprofiel in de Nederlandse samenleving zou passen. Dat het beroep belangrijk wordt gevonden is ook hier te zien: mensen zonder migratieachtergrond waarderen de IT-specialist hoger (25 punten) dan eerste en tweede generatie migranten (21 en 22 punten, respectievelijk), in vergelijking met een werkloze migrant. Dit laat zien dat mensen zonder migratieachtergrond wellicht meer belang hechten aan het specifieke beroep van een migrant dan mensen met een migratieachtergrond.

Wat religie betreft zijn alle drie groepen het eens dat moslim-migranten minder goed passen in de Nederlandse maatschappij. Wat betreft de herkomst van migranten zien we een verschil tussen de tweedegeneratie migranten en mensen zonder migratieachtergrond. Waar mensen zonder migratieachtergrond en eerste generatie migranten vinden dat Marokkanen minder goed in de Nederlandse samenleving passen dan Duitse migranten (-5 en -4 punten, respectievelijk), zien tweedegeneratie migranten een veel kleiner verschil. Alle drie de groepen zijn echter van mening dat Turkse migranten minder goed in de Nederlandse samenleving passen dan Duitsers. Dit patroon komt ook naar voren als het gaat om de verblijfsduur: terwijl zowel eerste generatie migranten als Nederlanders zonder migratieachtergrond van mening zijn dat iemand die al 10 jaar in Nederland woont beter in de samenleving past dan iemand die hier pas 1 jaar woont, lijken tweedegeneratie migranten geen verschil te zien.
Bij de stellingen over de kenmerken van immigranten lijken eerste- en tweedegeneratie migranten het meer met elkaar eens te zijn en de respondenten zonder migratieachtergrond steken daar wat bij af. Bij de profielen lijken de drie groepen het voornamelijk eens te zijn over de rol van beroep (werk), maar het meest te verschillen van elkaar als het gaat om herkomst.
Conclusie
Houdingen tegenover migranten in Nederland blijken niet uniform te zijn, maar variëren naar gelang de achtergrond van de respondent. Mensen zonder migratieachtergrond oordelen over het algemeen negatiever over immigranten dan mensen met een migratieachtergrond, zowel bij de stellingen over migratie als bij de beoordeling van migrantenprofielen. Opvallend is daarbij dat de tweede generatie migranten, ondanks dat zij in Nederland zijn geboren, het meest afwijken van Nederlanders zonder migratieachtergrond. Tegelijkertijd laten de resultaten zien dat alle groepen het belang van werk bij migranten erkennen. Dit suggereert dat een economische bijdrage aan de maatschappij breed gewaardeerd wordt. De bevindingen benadrukken dat het maatschappelijke en politieke debat over migratie gebaat is bij meer nuance: niet alle migranten worden hetzelfde beoordeeld als mensen hun gevoel laten spreken, en niet alle Nederlanders – met en zonder migratieachtergrond – denken er hetzelfde over.
Madelief de Lange, Universiteit Utrecht, e-mail: madeliefdelange@gmail.com
Christian Czymara, NIDI-KNAW / Rijksuniversiteit Groningen, e-mail: czymara@nidi.nl
Literatuur
- Czymara, C.S. en A.W. Schmidt-Catran (2017), Refugees unwelcome? Changes in the public acceptance of immigrants and refugees in Germany in the course of Europe’s ‘immigration crisis’. European Sociological Review, 33(6), pp. 735-751.
- Dagevos, J., M. de Voogd-Hamelink en R. Damen (2022), Gevestigd, maar niet thuis: Eerste bevindingen uit de Survey integratie migranten (SIM2020). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
- Schneider, J., T. Fokkema, R. Matias, S. Stojčić, D. Ugrina en C. Vera-Larrucea (2012), Identities: Urban belonging and intercultural relations. In: M. Crul, J. Schneider en F. Lelie (red.), The European second generation compared: Does the integration context matter? Amsterdam: Amsterdam University Press, pp. 285-340.
- Stephan, W.G. en C.W. Stephan (2000), An integrated threat theory of prejudice. In: S. Oskamp (red.), Reducing prejudice and discrimination. Mahwah, NJ: Erlbaum, pp. 23-45.
