De Nederlandse bevolking is sinds de 19de eeuw ingrijpend veranderd, zowel in omvang als in geografische herkomst. In Nederland geboren burgers verhuizen door de geschiedenis heen steeds vaker binnen onze landsgrenzen naar een woonplaats in een andere provincie. Niet zelden deden deze binnenlandse migranten dit om hun levenskansen te verbeteren in economisch sterkere regio’s of aantrekkelijkere woonomgevingen. De dynamiek hierin reflecteert daarom ook de door de tijd heen veranderende economische aantrekkelijkheid van verschillende provincies in Nederland. Afgelopen decennia is het met name internationale migratie dat de totale Nederlandse bevolking doet groeien en binnen Nederland vooral bijdraagt aan toenemende verstedelijking. Door zowel binnenlandse als internationale migratie veranderde de geografische oorsprong van de inwoners van Nederland, waarbij deze verandering zich binnen ons land niet gelijkmatig voltrok.
Door de beschikbaarheid van volkstellingen over een lange periode is het mogelijk beide ontwikkelingen, binnenlandse en internationale geografische mobiliteit, consistent in de tijd te volgen. Dit artikel beschrijft de demografische ontwikkelingen, de toenemende geografische mobiliteit, en hoe deze zich verschillend hebben voltrokken per provincie.
Sterftedaling en toenemende levensverwachting
Eerst volgt een schets van de landelijke demografische ontwikkelingen in de afgelopen anderhalve eeuw. De bevolkingsomvang nam toe van 3,3 miljoen inwoners in 1859 tot 18,0 miljoen in 2025 Tot ver in de 20ste eeuw werd deze groei vooral gedragen door natuurlijke aanwas: een combinatie van relatief hoge vruchtbaarheid en dalende sterfte.
De sterke bevolkingsgroei vanaf de tweede helft van de 19de eeuw hangt nauw samen met een forse daling van de sterfte. Vooral tussen circa 1880 en 1920 nam de zuigelingen- en kindersterfte snel af, onder meer door verbeteringen in hygiëne, welvaart, voeding, vaccinaties en medische zorg. Studies gebaseerd op geboortecohorten laten zien dat niet alleen meer mensen de volwassen leeftijd bereikten, maar dat ook de levensverwachting na die leeftijd aanzienlijk toenam. In latere decennia werd ook op volwassen en oudere leeftijden steeds meer levensduur gewonnen. Deze structurele sterftedaling vormde een belangrijke basis voor de langdurige bevolkingsgroei (zie figuur 1).
Na de Tweede Wereldoorlog versnelde de groei tijdelijk door een sterke geboortegolf, beter bekend als de ‘babyboom’. Vanaf de jaren zeventig nam de natuurlijke aanwas af en werd internationale migratie een steeds belangrijkere factor in de bevolkingsontwikkeling.

Geografische oorsprong, verstedelijking en internationale migratie
De toename van geografische mobiliteit in Nederland sinds het midden van de 19de eeuw hangt nauw samen met processen van verstedelijking en internationale migratie. Deze ontwikkelingen versterkten elkaar en leidden tot een concentratie van bevolking en bevolkingsgroei in steden en stedelijke regio’s, in het bijzonder in de Randstad.
In de tweede helft van de 19de eeuw was Nederland nog sterk regionaal en lokaal georiënteerd. De meeste mensen woonden in de provincie waar zij waren geboren en internationale migratie speelde slechts een beperkte rol. Met de voortschrijdende industrialisatie en urbanisatie trok een groeiend aantal mensen vanuit landelijke gebieden naar steden, aanvankelijk vooral binnen dezelfde provincie en later steeds vaker over provinciegrenzen heen. Deze bewegingen markeren het begin van een geleidelijke toename van interprovinciale mobiliteit.
In de eerste helft van de 20ste eeuw versnelde de verstedelijking. Steden boden werkgelegenheid in industrie, handel en later dienstverlening, wat leidde tot instroom vanuit andere provincies. Tegelijkertijd nam de internationale migratie beperkt toe, onder meer in specifieke economische sectoren. Toch bleef de meerderheid van de bevolking tot ver na de Tweede Wereldoorlog wonen in de provincie van geboorte.
Na 1950 versterkten verstedelijking en mobiliteit elkaar verder. De uitbreiding van onderwijs en de ontwikkeling van een nationale arbeidsmarkt maakten verhuizingen over grotere afstanden gebruikelijker. Jongeren verhuisden vaker naar stedelijke regio’s voor studie en werk, met name naar de Randstad en andere hoger onderwijs- en economische centra. Hierdoor nam het aandeel inwoners dat in een andere provincie was geboren toe, vooral in sterk verstedelijkte provincies zoals Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. Vanaf de jaren zeventig kreeg internationale migratie een structureel grotere betekenis. Migranten uit Zuid-Europa, Turkije en Marokko, en later uit Midden- en Oost-Europa, Azië en Afrika, vestigden zich vooral in steden en stedelijke regio’s. Internationale migratie droeg daarmee in sterke mate bij aan de bevolkingsgroei en de veranderende samenstelling van de bevolking in stedelijke gebieden, en versterkte bestaande verstedelijkingspatronen.
In recente decennia concentreerden zowel binnenlandse als internationale migratiestromen zich in en rond grote steden. De Randstad fungeerde hierbij als belangrijk knooppunt, met een continue instroom van jonge binnenlandse migranten en internationale nieuwkomers. Tegelijkertijd verplaatsten sommige huishoudens zich op latere leeftijd vanuit stedelijke gebieden naar minder stedelijke provincies, wat leidde tot selectieve tegenstromen. Ondanks deze bewegingen bleef de netto instroom in stedelijke regio’s dominant.
Samenvattend laat de ontwikkeling over de afgelopen 150 jaar zien dat interprovinciale mobiliteit, verstedelijking en internationale migratie nauw met elkaar verweven zijn. Samen hebben zij bijgedragen aan een sterke concentratie van bevolking en bevolkingsgroei in steden en in het bijzonder in de Randstad, terwijl de regionale binding van de bevolking geleidelijk afnam.
Geografische oorsprong van de bevolking
De verdeling van de geografische oorsprong van de bevolking veranderde sterk (zie figuur 2). In 1859 was 89 procent van de inwoners geboren in de provincie waar zij woonden. Slechts 9 procent was geboren in een andere provincie en circa 2 procent in het buitenland. In de loop van de 20ste eeuw nam de binnenlandse mobiliteit toe door betere vervoersmogelijkheden, uitbreiding van onderwijs en de ontwikkeling van een nationale arbeidsmarkt. Het aandeel inwoners dat in de eigen provincie is geboren nam daardoor sinds de 19de eeuw gestaag af. Tegelijkertijd nam het aandeel in het buitenland geborenen vooral vanaf de jaren zeventig sterk toe. In 2025 was circa 62 procent van de bevolking geboren in de eigen provincie, ongeveer 21 procent in een andere provincie en circa 17 procent in het buitenland.

Provinciale verschillen
Achter het landelijke beeld van toenemende geografische mobiliteit gaan duidelijke provinciale verschillen schuil (zie figuur 3), die samenhangen met historische, economische en demografische kenmerken van provincies. In provincies als Zeeland, Friesland en Limburg bleef het aandeel inwoners dat in de eigen provincie is geboren relatief hoog. Deze provincies kennen van oudsher een minder sterk verstedelijkt karakter en een beperktere instroom vanuit andere delen van het land. De bevolkingssamenstelling wordt hier in sterkere mate bepaald door natuurlijke aanwas en langdurige wooncarrières binnen de provincie.

In centraal gelegen en sterk verstedelijkte provincies, zoals Noord-Holland en Utrecht, is het aandeel inwoners dat in de eigen provincie is geboren juist laag. Deze provincies trekken relatief veel binnenlandse migranten aan, onder meer door concentraties van werkgelegenheid, onderwijsinstellingen en stedelijke voorzieningen. Vooral studenten en jonge werkenden verhuizen naar deze provincies, wat leidt tot een relatief groot aandeel inwoners dat in een andere provincie is geboren. Recentelijk speelt daarnaast internationale migratie hier een belangrijke rol, waardoor ook het aandeel in het buitenland geborenen bovengemiddeld is.
Flevoland neemt een bijzondere positie in. Als jongste provincie van Nederland is het merendeel van de bevolking elders geboren, zowel in andere provincies als in het buitenland. De bevolkingsgroei in Flevoland werd vanaf het ontstaan van de provincie vrijwel volledig gedragen door migratie. Hierdoor wijkt het patroon van geografische herkomst sterk af van dat in andere provincies. In provincies als Drenthe en in mindere mate Gelderland en Overijssel is vooral het aandeel inwoners toegenomen dat in een andere provincie is geboren, terwijl het aandeel in het buitenland geborenen relatief beperkt bleef. Deze provincies trekken onder meer huishoudens aan die zich op latere leeftijd verplaatsen, bijvoorbeeld na pensionering (‘Drentenieren’), wat bijdraagt aan een groeiend aandeel binnenlandse migranten.
Limburg laat zien dat internationale migratie geen uitsluitend recent fenomeen is. In de Jaren twintig en dertig van de vorige eeuw was het aandeel inwoners dat in het buitenland was geboren vergelijkbaar met het huidige niveau. Destijds betrof dit vooral arbeidsmigranten uit Duitsland die in de mijnbouw werkzaam waren. Na de sluiting van de mijnen (in de periode 1965-1974) en veranderingen op de arbeidsmarkt nam dit aandeel weer af. In recente decennia is het aandeel in het buitenland geborenen opnieuw toegenomen, onder meer door arbeidsmigratie uit Midden- en Oost-Europa.
Samen laten deze provinciale verschillen zien dat de afname van lokale binding en de toename van geografische mobiliteit niet uniform verlopen. Regionale economische structuur, verstedelijking, ligging en historische migratiepatronen spelen hierbij een belangrijke rol. In centrale, stedelijke en jonge provincies is het aandeel inwoners dat elders of in het buitenland is geboren relatief groot. In perifere provincies blijft de lokale binding sterker.
Conclusies
De Nederlandse bevolking is in anderhalve eeuw in toenemende mate losgeraakt van haar geboorteplaats. Waar herkomst vroeger sterk samenviel met woonplaats, is die koppeling geleidelijk verzwakt door verstedelijking, onderwijs, arbeidsmobiliteit en internationale migratie. Nederland is daarmee veranderd van een samenleving met een overwegend lokale verankering naar een samenleving waarin mobiliteit – zowel binnenlands als internationaal – een structureel kenmerk is.
Die ontwikkeling is in essentie een reflectie van kansenongelijkheid én kansenbenutting. Mensen verplaatsen zich om onderwijs te volgen, werk te vinden of hun woonomgeving te verbeteren. Tegelijkertijd laat de concentratie van instroom in stedelijke regio’s zien dat economische en institutionele kansen ruimtelijk ongelijk verdeeld zijn. De Randstad fungeert daarbij als magneet, terwijl perifere regio’s relatief meer hun lokaal gewortelde bevolking behouden of juist selectieve uitstroom kennen.
De afname van regionale binding betekent niet dat plaats er minder toe doet, eerder het tegenovergestelde. Juist doordat mobiliteit is toegenomen, worden verschillen tussen regio’s zichtbaarder en soms ook scherper. Wie verhuist, doet dat vaak selectief: jong, hoger opgeleid en met perspectief. Dat heeft gevolgen voor de regionale bevolkingssamenstelling, woningmarkten en voorzieningen, en kan bestaande verschillen versterken. Dit geldt ook voor internationale migranten: uit onderzoek naar internationale migratie blijkt dat er veel minder mensen migreren dan je vanuit rationeel opzicht zou verwachten en het zijn doorgaans de meest kansrijke migranten die hun land (kunnen) verlaten.
Tegelijkertijd vraagt de toegenomen geografische diversiteit om zorgvuldige duiding. Verschillen in herkomst en mobiliteit zijn geen op zichzelf staande verklaringen voor maatschappelijke uitkomsten, maar verweven met onderwijs, arbeidsmarktpositie en levensfase. Juist daarom is het van belang om ontwikkelingen in samenhang te blijven analyseren en niet te reduceren tot eenvoudige tegenstellingen tussen ‘van hier’ en ‘van elders’.
Per saldo laat deze lange termijnontwikkeling zien dat geografische mobiliteit een kernonderdeel is geworden van de Nederlandse samenleving: Nederland werd een (binnenlands en buitenlands) migratieland. Maar het is onzeker in welke mate dit komende 150 jaar dit zo blijft. We zien al enkele jaren dat er netto meer binnenlandse verhuizingen uit de Randstad trekken: de hoge woningprijzen en de drukte doet vooral dertigers naar alternatieven zoeken.
Het CBS verwacht op dit moment echter nog wel dat er de komende decennia netto meer mensen naar Nederland zullen komen dan er zullen vertrekken. Die migranten verhuizen dan weer het vaakst richting de steden. In toenemende mate zorgt vooral internationale migratie voor maatschappelijke spanningen rond bevolkingsgroei, toegenomen druk op de woningmarkt en voorzieningen als ook de zorgen over sociale cohesie en culturele veranderingen. De maatschappelijke uitdaging ligt er in om de ruimtelijke en sociale gevolgen ervan in goede banen te leiden, met oog voor regionale balans, gelijke kansen en maatschappelijke samenhang.
Ruben van Gaalen, CBS en NIDI-KNAW / Rijksuniversiteit Groningen, e-mail: r.vangaalen@cbs.nl
Literatuur
- CBS Volkstellingen 1859–1971 via DANS/KNAW.
- CBS (2025), Tijdlijn migratie, 1849-2025 | CBS.
- CBS (2025), Trek uit de Randstad neemt wat af, vooral dertigers vertrekken | CBS.
- Duin, C. van, P. Feijten, C. Huisman, J. Nauta en M. Wennekes (2025), Kernprognose 2025–2070: 20,6 miljoen inwoners verwacht in 2070, Statistische Trends, CBS Den Haag/Heerlen/Bonaire.
