Sinds 1995 is het aantal ouderen dat jaarlijks emigreert na het bereiken van de pensioenleeftijd meer dan verdubbeld. Bij vertrek zijn de meeste pensioenmigranten relatief jong (gemiddeld 62 jaar) en gezond en geven ze vorm aan hun nieuwe levensfase door te verhuizen naar een ander land. De aantrekkingskracht van lekker weer, avontuur en nieuwe ervaringen kan echter afnemen naarmate mensen ouder worden. Op latere leeftijd is de kans op gezondheidsproblemen groter en zou de langeafstandsrelatie met kinderen moeilijker kunnen voorzien in de behoefte aan emotionele en praktische ondersteuning. Wanneer de ‘kosten’ van het verblijf in het bestemmingsland groter worden dan de baten, kan dit ertoe leiden dat pensioenmigranten liever terugverhuizen naar Nederland. Hoewel de emigratie van Nederlanders volop in de publieke belangstelling staat, weten we relatief weinig over hun mogelijke terugkeer.
Uit eerder onderzoek naar terugkeermigratie van arbeidsmigranten komt de zogenoemde terugkeermythe naar voren: het fenomeen dat arbeidsmigranten aanvankelijk verwachten terug te keren, maar dat in de praktijk vaak niet doen. Zo vestigden veel gastarbeiders uit de jaren vijftig zich uiteindelijk definitief in Nederland. Pensionado’s lijken vaak geen rekening te houden met een mogelijke terugkeer, maar het is onduidelijk of dat terecht is. Hoewel het in Nederland mogelijk is om terugkeermigratie te onderzoeken op basis van registerdata, is dat nog niet gedaan voor de groep pensioenmigranten. Bovendien is in deze data onbekend waarom men terugkeert en wat er in de tussentijd in het buitenland is gebeurd. Kwalitatieve studies over pensioenmigranten bieden meer inzicht in dit proces, maar of dit een representatief beeld geeft is een open vraag.
Nederlanders in het buitenland
In 2021 deed het NIDI met behulp van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) (zie kader) onderzoek onder ruim zesduizend in Nederland geboren AOW-gerechtigden die tijdens hun werkzame leven minimaal 35 jaar in Nederland woonden, maar daarna naar het buitenland verhuisden en daar ook hun pensioen ontvingen. Deze pensioenmigranten bevonden zich in veertig verschillende bestemmingen, waren gemiddeld 73 jaar en hadden een gemiddelde verblijfsduur van 11 jaar in hun bestemmingsland. Ze ontvingen een uitgebreide vragenlijst waarin werd gevraagd naar zaken als de beslissing om te emigreren, hun leven in het buitenland en hun beeld van de toekomst, bijvoorbeeld of ze terug zouden willen keren. Drie jaar nadat het onderzoek plaatsvond werd in 2024 in beeld gebracht wie er nog steeds in het buitenland verbleef en wie was teruggekeerd. Met de vragenlijst en deze data uit 2024 kan worden onderzocht in welke situaties de kans groter is dat pensioenmigranten op termijn terugkeren.
In hoeverre keert men terug en waar vandaan?
In 2021 was 75 procent van de pensioenmigranten er zeker van nooit te zullen terugkeren. Zo’n 5 procent dacht waarschijnlijk of zeer waarschijnlijk binnen drie jaar terug te verhuizen naar Nederland. Uit de nieuwe cijfers blijkt dat drie jaar later, 9 procent van de pensioenmigrantenweer in Nederland woonde. In deze periode van drie jaar kwam terugkeermigratie dus iets vaker voor dan op basis van de terugkeerintenties werd verwacht. Voor een volledig beeld van terugkeermigratie zou je idealiter mensen volgen vanaf hun vertrek tot aan hun overlijden, maar een tijdsbestek van drie jaar is daarvoor te kort. Om toch een idee te krijgen van de toekomstige terugkeermigratie is op basis van demografische modellen voor elke leeftijd is een kans geschat dat iemand terugkeert naar Nederland. Hieruit blijkt dat de (cumulatieve) kans dat iemand vóór zijn of haar tachtigste is teruggekeerd naar Nederland, naar verwachting ongeveer één op de drie is.
Uit eerdere studies onder dezelfde groep pensioenmigranten bleek dat er verschillen waren tussen pensioenmigranten naar bestemmingsland, bijvoorbeeld in de reden voor vertrek en de sociale integratie. De vraag is dan ook of pensioenmigranten uit bepaalde landen vaker terugkeren dan anderen. Figuur 1 toont het percentage pensioenmigranten dat terugkeerde voor de top-6 bestemmingen. Voor Frankrijk, de Verenigde Staten, Spanje en Portugal komt het beeld overeen met het gemiddelde van alle pensioenmigranten: tussen de 8 en 11 procent keerde terug. Hongarije en Thailand wijken echter af. Uit Hongarije keerde bijna 15 procent terug. Als reden voor een terugkeer gaf een 70-jarige man aan de taal na jaren nog steeds niet te beheersen, wat het verblijf moeilijk maakte. Pensioenmigranten uit Thailand keerden juist relatief weinig terug. Dat is een land waar mensen vaker het motief hadden om een nieuw leven te beginnen. Het lijkt erop dat ze daarin slaagden.

Blijvende (sociale) banden met Nederland
Onder welke omstandigheden komt terugkeer van pensioenmigranten vaker voor? Ten eerste kan de levensfase waarin iemand zich bevindt een rol spelen. De meeste pensioenmigranten vertrekken als ze tussen de 65 en 70 jaar oud zijn en geen beperkende gezondheidsklachten ervaren. Gedurende het buitenlandse verblijf kan de gezondheid achteruitgaan of de afhankelijkheid van anderen toenemen. Met zo’n overgang van de ene levensfase naar de andere levensfase kan het perspectief op migratie veranderen, en daarmee aanleiding geven tot terugkeer. Uit de resultaten blijkt dat of iemand terugkeert inderdaad samenhangt met veranderingen die gepaard gaan met het ouder worden. De belangrijkste factor in dit verband is iemands gezondheid: mensen met een slechtere gezondheid hebben een grotere kans om terug te keren. Daarnaast keren ook pensioenmigranten die eenzamer zijn vaker terug in vergelijking met pensioenmigranten die minder eenzaam zijn. Eenzaamheid wordt vaak gerelateerd aan ouderdom, omdat sociale netwerken in de loop der tijd kleiner worden. Zo noemde een 82-jarige man als reden om ooit terug te keren “eenzaamheid, omdat veel ouderen wegvallen”.
Een tweede relevante factor zijn de (sociale) banden die pensioenmigranten hebben. Belangrijke banden in dit verband zijn partners en kinderen. De meeste pensioenmigranten zijn zelf geboren en getogen in Nederland en hun partner vaak ook. Daarnaast heeft meer dan de helft van de pensioenmigranten kinderen die in Nederland wonen. Ook na migratie zijn deze relaties vaak hecht. Zulke banden kunnen het niet alleen aantrekkelijker maken om terug te keren, maar ze kunnen ook de terugkeer faciliteren, waardoor de kosten van terugkeren afnemen en de baten toenemen. De verwachting is dan ook dat mensen met sterkere banden in Nederland vaker terugkeren. Voor mensen met sterkere banden in het bestemmingsland, bijvoorbeeld als de partner daar vandaan komt of wanneer ook kinderen in het bestemmingsland wonen, wordt juist verwacht dat ze vaker blijven.
Figuur 2 laat het percentage zien dat terugkeerde waarbij nadrukkelijk gelet wordt op de sociale banden in Nederland en het bestemmingsland. De linkerzijde van de figuur toont het percentage pensioenmigranten dat terugkeerde in relatie tot waar hun partner geboren is: van de pensioenmigranten met een partner uit Nederland keerde 11 procent terug, tegenover 4 procent van de pensioenmigranten met een partner uit het bestemmingsland. De rechterzijde van de figuur toont een soortgelijk patroon voor de rol van kinderen: wanneer er kinderen in Nederland woonden, keerden pensioenmigranten vaker terug (11%) dan wanneer er kinderen in het bestemmingsland woonden (4%). Waar het nabije familienetwerk zich bevindt, lijkt dus een belangrijke factor te zijn in waar men oud wil worden. Een pensioenmigrant verwoordde dit als volgt: “ik wil niet alleen overblijven zonder familie in de buurt.”

Wie keert terug maar was dat niet van plan?
Het percentage dat terugkeerde is iets hoger dan het percentage dat had aangegeven terug te willen keren. In figuur 3 vergelijken we hoe het voornemen om terug te keren zich verhoudt tot de uitvoering van dit plan. Hieruit blijkt dat pensioenmigranten die van plan waren om terug te keren, dat ook vaker deden. Van de pensioenmigranten die in 2021 hadden aangegeven zeker terug te zullen keren, was 64 procent in 2024 ook daadwerkelijk teruggekeerd. De overige 36 procent was (nog) niet teruggekeerd. In sommige gevallen is dit wellicht nog niet gelukt, maar zijn zij het wel nog steeds van plan. In andere gevallen kunnen de plannen in de tussentijd zijn bijgesteld en is er misschien geen wens meer om terug te keren. Onder pensioenmigranten met een minder sterke terugkeerintentie keerde een kleiner deel terug naar Nederland. Verreweg de meeste pensioenmigranten die er bijvoorbeeld zeker van waren níet terug te zullen keren, deden dat ook niet (96%). Toch is er een klein deel, namelijk 4 procent, dat alsnog terugkeerde. Hoewel een sterkere terugkeerintentie de kans op terugkeer vergroot, voorspelt dit dus niet volledig wie terugkeert en wie blijft.

Waardoor ontstaat er een verschil tussen het voornemen om terug te keren en de uitvoering van dit plan? Uit het onderzoek blijkt dat mensen met een slechtere gezondheid een grotere kans hadden om terug te keren, onafhankelijk van hun terugkeerintentie. Met andere woorden, mensen die al in 2021 niet de beste gezondheid hadden maar wel in het bestemmingsland wilden blijven, verhuisden alsnog vaker terug naar Nederland. Dit suggereert dat terugkeer soms voortkomt uit noodzaak, bijvoorbeeld omdat de gezondheid sneller verslechtert dan voorzien. Zo gaf een pensioenmigrant als reden voor terugkeer aan: “betere gezondheidszorg in Nederland, zeker bij het ouder worden.” Een ander verwoordde de zorg over ouder worden in het buitenland scherper: “Ik wil niet oud worden in een Frans tehuis.”
Ook pensioenmigranten met sociale banden in Nederland (partner en kinderen) keerden vaker terug, ook als ze aanvankelijk geen terugkeerplannen hadden. Daartegenover hebben pensioenmigranten met sterke sociale banden in het bestemmingsland (partner en vrienden) juist een grotere kans om te blijven, ondanks een eigen terugkeerplan. Een verklaring is dat pensioenmigranten in eerste instantie uitgaan van de eigen voorkeuren ten aanzien van terugkeermigratie, maar in de praktijk, als plannen concreter worden, de voorkeuren of situatie van hun sociale netwerk sterker laten meewegen. Zo speelde voor een 70-jarige man de gezondheid van zijn kinderen een rol in een mogelijke terug en voor een 78-jarige man “het vereenvoudigen van de nalatenschap”.
Er zijn natuurlijk legio andere redenen om terug te keren. Gevraagd naar redenen voor een mogelijke terugkeer kwamen allerlei overwegingen voorbij. Sommigen hielden het praktisch, zoals het ontbreken van openbaar vervoer (“als ik geen auto meer kan rijden, is er vanuit het dorp geen openbaar vervoer”), strengere voorwaarden voor een verblijfsvergunning, of de mogelijkheden voor euthanasie. Anderen rekenden het uit: een lager belastingtarief op een klein AOW’tje en pensioen scheelt al snel 300 euro per maand, of ervoeren financiële druk van de belastingdienst, “de blauwe enveloppen blijven maar komen.” Ook culturele kwesties speelden mee, zoals de Franse taal (“door leeftijd toch moeilijk communiceren, ondanks dat ik nog steeds Franse les heb”) of juist de aantrekkingskracht van Nederland zelf: “de Nederlandse gemoedelijkheid, de vertrouwdheid.” En voor sommigen was het simpelweg mooi geweest: “Ik ben klaar met tuinieren.”
Conclusie
Hoewel pensioenmigratie aanvankelijk vaak wordt gezien als een permanente stap, laten de terugkeercijfers zien dat dit toekomstbeeld in de loop der tijd kan veranderen. De voordelen van emigratie passen goed bij de vroege pensioenfase waarin men vitaal en mobiel is, maar wat op je 65ste aanlokkelijk is, is dat niet per se op je 80ste. De bevindingen laten zien dat de beslissing om terug te keren niet alleen een individuele afweging is, maar ook wordt beïnvloed door omstandigheden die zich pas later aandienen. Dat maakt vooruitplannen lastig. Een goede voorbereiding kan helpen om dit beter het hoofd te bieden. Wie in het bestemmingsland wil blijven, doet er goed aan tijdig te investeren in toegang tot zorg, de lokale taal en een sociaal netwerk ter plaatse. Wie juist wil terugkeren, kan beter zorgen voor voldoende financiële middelen en de banden in Nederland warmhouden. Die verantwoordelijkheid ligt in de eerste plaats bij pensioenmigranten zelf, maar ook gemeenten kunnen hierop inspelen, door bijvoorbeeld een mogelijke terugkeer bij de uitschrijving uit Nederland onder de aandacht te brengen.
Juul Spaan, NIDI-KNAW / Rijksuniversiteit Groningen, e-mail: spaan@nidi.nl
Literatuur
- Henkens, K., M. Kalmijn, H. van Dalen, E.B. Savaş en J. Spaan (2022), A survey of Dutch Retirement Migrants Abroad: Codebook version 1.0. Netherlands Interdisciplinary Demographic Institute (NIDI)-KNAW/University of Groningen.
- Savaş, E.B. (2025), Retirement reimagined: Determinants and social consequences of international retirement migration. Proefschrift, Rijksuniversiteit Groningen.
- Spaan, J. (2025), New horizons in later life: Motives, family ties and return of international retirement migrants. Proefschrift, Rijksuniversiteit Groningen.
