Foto: Peter Voerman / Flickr

Kansenongelijkheid in het onderwijs: een tweelingstudie

MARJOLIJN DAS | 2 oktober 2026 | DEMOS jaargang 42, nummer 6 - september 2026
Het terugdringen van kansenongelijkheid in het onderwijs is een belangrijk thema voor beleidsmakers. Onderzoek uitgevoerd onder tweelingen in Nederland duiden op een afname van kansenongelijkheid voor de geboortegeneraties van 1964 tot en met 1997 onder mensen met een Nederlandse herkomst.

Er is sprake van kansenongelijkheid als kinderen met dezelfde capaciteiten niet dezelfde resultaten behalen in het onderwijs, als gevolg van hun specifieke omgeving of achtergrond. Het tegengaan van kansenongelijkheid is een belangrijk beleidsthema, zowel landelijk als lokaal. Bijvoorbeeld via de ‘Gelijke Kansen Alliantie’, een samenwerking van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met gemeenten en maatschappelijke partners. Ook veel maatschappelijke organisaties zetten zich in voor het verkleinen van kansenongelijkheid. Zo werd begin november 2025 de ‘Week van de kansengelijkheid’ georganiseerd.

Onderzoek naar kansenongelijkheid wordt vaak uitgevoerd door te kijken naar ouders en kinderen, waarbij bijvoorbeeld wordt onderzocht in hoeverre ouders en kinderen op elkaar lijken qua opleidingsniveau. Of door verschillen in onderwijsprestaties te onderzoeken tussen kinderen uit gezinnen met hoge dan wel een lage sociaaleconomische status. Het idee daarachter is dat ouders met bijvoorbeeld een universitaire opleiding en een hoge sociaaleconomische status beschikken over hulpbronnen die hun kinderen voordeel opleveren gedurende hun onderwijsloopbaan. Die hulpbronnen omvatten financiële middelen maar ook ‘culturele hulpbronnen’, zoals algemene kennis, kennis van het onderwijssysteem en mondigheid tegenover leerkrachten.

Wat echter in deze benadering onderbelicht blijft, is de invloed van erfelijke factoren. Cognitieve capaciteiten, persoonlijkheidskenmerken en gedrag(sproblemen) zijn allemaal gedeeltelijk erfelijk en hangen sterk samen met het opleidingsniveau dat mensen kunnen behalen. Daarmee is ook het opleidingsniveau zelf onderhevig aan een genetische invloed. Ouders en kinderen zijn genetisch verwant en zullen dus altijd in enige mate op elkaar lijken qua onderwijsprestaties, zelfs in een situatie van volledige kansengelijkheid.

Tweelingonderzoek

Om een zuiverder beeld te krijgen van kansenongelijkheid is het daarom nodig om genetische invloeden te scheiden van invloeden van de (gezins) omgeving. Een veelgebruikte methode hiervoor is het bestuderen van tweelingen, bijvoorbeeld via het zogenoemde ‘classical twin design’, waarbij eeneiige tweelingen worden vergeleken met tweeeiige tweelingen. Verschillen tussen mensen (in dit geval in opleidingsniveau) kunnen drie mogelijke oorzaken hebben: genetische verschillen,omgevingsverschillen en overige (unieke) verschillen. Tweelingmodellen delen de verschillen tússen tweelingparen op in deze drie componenten: de genetische invloed (‘erfelijkheid’), de invloed van de omgeving die door het tweelingpaar wordt gedeeld, en de invloed van de unieke, nietgedeelde omgeving. De niet-gedeelde omgeving omvat, onder andere, toevalligheden, unieke levensloopgebeurtenissen en het individuele sociale netwerk, zoals de partner. De gedeelde omgeving betreft allereerst het ouderlijk gezin, maar daarnaast ook bijvoorbeeld verdere familie, de buurt waarin ze opgroeien, de school en mogelijk ook de leerkracht. Als de invloed van deze gedeelde omgeving in de loop van de tijd toeneemt en de genetische invloed afneemt, dan betekent dit dat kansenongelijkheid toeneemt. Immers, aangeboren eigenschappen krijgen dan een steeds minder grote invloed op het uiteindelijke opleidingsniveau, terwijl de omgeving – het gezin, de buurt of de school – steeds belangrijker worden.

De studie die ik hier presenteer maakt gebruik van integrale gegevens over tweelingen, broers en zussen uit overheidsregisters van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De onderzoeksvraag in dit artikel luidt: “Is kansenongelijkheid in het onderwijs in de loop van de tijd veranderd, en zo ja, in welke richting?”

Invloed van erfelijke factoren neemt toe

Figuur 1 toont de invloed van genen en gedeelde omgeving op het bereikte opleidingsniveau over de tijd. In de oudste geboortecohorten, te weten de geboortejaren 1964-1967, was de invloed van erfelijke factoren laag. Slechts zeven procent van de verschillen in opleidingsniveau tussen de mensen in die groep werd verklaard door genetische invloeden. De gedeelde omgeving verklaarde ongeveer 33 procent van de verschillen in opleidingsniveau. In de meest recente geboortecohorten, 1995 tot en met 1997, speelde erfelijkheid een veel grotere rol. Daar kon 71 procent van de verschillen in opleidingsniveau worden verklaard door genetische factoren. Invloeden uit de gedeelde omgeving, zoals gezin of opvoeding, hadden geen meetbaar effect meer. De relatieve invloed van genen nam dus over de tijd toe en die van de gedeelde omgeving nam af. Deze trend was met name zichtbaar – en statistisch significant – aan het begin en aan het einde van de onderzoeksperiode. De cohorten geboren tussen 1968 en 1994 verschilden onderling niet duidelijk van elkaar.

Figuur 1. De invloed van genen (erfelijkheid) en van gedeelde omgeving op bereikte opleidingsniveau, over geboortecohorten

Figuren 2 en 3 tonen de trends over de tijd voor mannen en vrouwen afzonderlijk. Met name in de oudere geboortecohorten zijn er verschillen in de trends van mannen en vrouwen. Bij vrouwen zien we in de oudste cohortgroep geen duidelijke genetische invloed, bij mannen is die invloed er wel. Bij vrouwen neemt de erfelijkheid in de twee daaropvolgende cohortgroepen snel toe, tot 52 procent in 1971-1973. De invloed van de gedeelde omgeving neemt in diezelfde periode af. Bij mannen is het patroon over het algemeen grilliger. De meest recente cohortgroep laat zowel bij mannen als bij vrouwen een stijging zien in erfelijkheid, en een daling in de omgevingsinvloed.

Figuur 2. De invloed van genen (erfelijkheid) en van gedeelde omgeving op bereikte opleidingsniveau, over geboortecohorten: mannen
Figuur 3. De invloed van genen (erfelijkheid) en van gedeelde omgeving op bereikte opleidingsniveau, over geboortecohorten: vrouwen

Afnemende kansenongelijkheid

De resultaten duiden erop dat de kansenongelijkheid in Nederland voor de onderzochte geboortecohorten is afgenomen onder mensen met een Nederlandse herkomst. Het opleidingsniveau werd in de jongste cohorten meer bepaald door aangeboren eigenschappen, terwijl omgevingsfactoren, zoals het gezin waarin je opgroeit, over de tijd aan belang verloren.

Er zijn in deze periode flinke maatschappelijke veranderingen geweest met betrekking tot onderwijs. Allereerst was er sprake van een grote onderwijsexpansie: het gemiddelde opleidingsniveau van de bevolking van Nederland is de laatste vijftig jaar sterk gestegen. Emancipatie van vrouwen speelde daarbij ook een belangrijke rol. Studeerden er in 1990 nog meer mannen af aan een hbo of universiteit dan vrouwen, tegenwoordig is dat andersom. De stijging in erfelijkheid in de oudste cohorten was vooral zichtbaar bij vrouwen. Het aantal inschrijvingen aan de universiteit van vrouwelijke studenten vertoonde een sterke stijging rond het academisch jaar 1970/’71, en die toename bleef doorzetten maar begon rond 1993/’94 af te vlakken. Dit suggereert dat kansengelijkheid voor vrouwen juist in die periode snel toenam. Mogelijk zien we de staart van deze ontwikkeling in de oudere geboortecohorten, die tussen 1982 en 1991 de leeftijd kregen om te beginnen met studeren.

Ook zijn er in deze periode meerdere beleidsontwikkelingen geweest in het Nederlandse onderwijs die kunnen hebben bijgedragen aan meer kansengelijkheid. In de periode tussen 1970 en 1990 werd de Cito-eindtoets (en later ook andere eindtoetsen) steeds breder ingevoerd. De Cito-toets was oorspronkelijk al ontwikkeld als ‘objectieve’ maat van onderwijsprestaties, bedoeld om alle kinderen dezelfde kansen te geven “ongeacht afkomst of sociale willekeur”. In 1986 werd de basisbeurs ingevoerd onder de Wet Studiefinanciering 1986. Geboortecohorten vanaf ongeveer 1968 kregen daarmee te maken. De basisbeurs was bedoeld om studeren toegankelijker te maken voor iedereen; vóór de invoering werd studeren voornamelijk door de ouders gefinancierd. Ook voor de jongere cohorten waren er relevante beleidsveranderingen. Cohort 1992 viel als eerste volledig onder de kwalificatieplicht die in 2007 werd ingevoerd en na een overgangsjaar in 2008/’09 volledig van kracht werd. Deze kwalificatieplicht houdt in dat jongeren tussen de 16 en 18 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald, verplicht onderwijs moeten volgen. Voorheen gold alleen een leerplicht tot 16 jaar. Welke beleidsveranderingen al dan niet hebben bijgedragen tot de toegenomen kansengelijkheid, en in welke mate, is op basis van dit onderzoek echter niet te zeggen.

Eerdere Nederlandse en Europese onderzoeken naar kansengelijkheid, gebaseerd op de gelijkenis tussen ouders en kinderen, vonden gemengde resultaten. Sommige studies concludeerden dat kansengelijkheid was toegenomen, andere zagen het tegengestelde of geen trend. Zoals eerder gezegd konden deze studies geen onderscheid maken tussen genetische invloeden en omgevingsinvloeden. Eerder tweelingonderzoek was veelal gebaseerd op enquêtedata, waarbij vaak relatief veel geboortecohorten samengenomen moesten worden om voldoende datapunten te hebben voor de analyse. Onze studie is de eerste tweelingstudie die gedetailleerde erfelijkheidstrends over de tijd binnen een land kan vaststellen.

Genetische invloed is afhankelijk van de omgeving

De studie die ik hier gepresenteerd heb richtte zich op geboortecohorten van 1964 tot en met 1997 van mensen met een Nederlandse herkomst. De resultaten kunnen niet zonder meer doorgetrokken worden. Het is bijvoorbeeld best mogelijk dat kansenongelijkheid in meer recente jaren weer is toegenomen. Ook kan er op basis van dit onderzoek niets gezegd worden over de situatie bij migranten en hun kinderen, de ‘tweede generatie’. Deze vormen een relevante groep voor migranbeleid dat zich richt op kansenongelijkheid. Migranten en de tweede generatie hebben te maken met specifieke uitdagingen, bijvoorbeeld op het gebied van Nederlandse taalbeheersing en discriminatie. Binnen veel migrantengroepen vindt bovendien een sterke sociale stijging plaats.

Levensloopuitkomsten zijn niet ‘in steen gehouwen’ als er genen bij betrokken zijn. Genen komen immers altijd tot uitdrukking in een specifieke omgeving, en hun effecten zijn daarmee onlosmakelijk verbonden. Ook wanneer uitkomsten sterk samenhangen met genen, kunnen zij worden beïnvloed en veranderd door de omgeving aan te passen. Deze studie zegt niets over wélke aangeboren eigenschappen allemaal betrokken zijn bij succes in het onderwijs in Nederland. Ongetwijfeld spelen cognitieve capaciteiten een rol, maar heel waarschijnlijk ook andere zaken, bijvoorbeeld psychologische en persoonlijkheidskenmerken. “Dezelfde kansen voor iedereen” houdt niet automatisch in dat alle kinderen krijgen wat zij nodig hebben om in het onderwijssysteem te floreren; verschillende kinderen kunnen immers verschillende specifieke behoeften hebben. Een kind met een beweeglijke aanleg heeft andere behoeften rondom de inrichting van het onderwijs dan een kind met dyslexie, of een kind dat van nature meer moeite heeft met plannen en organiseren. Onderzoek naar de invloed van genen, de omgeving en het samenspel daartussen helpt beleid om gerichtere interventies te ontwerpen, die beter toegespitst zijn op specifieke behoeften en kwetsbaarheden van verschillende personen en groepen.

Marjolijn Das, Centraal Bureau voor de Statistiek, e-mail: m.das@cbs.nl

Literatuur

KNAW Logo
Cookie consent
This website makes use of third party cookies for traffic analysis. Privacy statement.