Foto: FaceMePLS/Flickr

Hoe Poolse migranten hun kinderopvang organiseren

KASIA KARPINSKA & ALZBETA BARTOVA | 28 mei 2021 | DEMOS jaargang 37, nummer 5 - mei 2021
Hoe gaan Poolse migranten om met de zorg voor hun kleine kinderen? Terwijl in Polen de zorg door de familie de norm is, kiezen Nederlandse ouders vaak voor formele kinderopvang. Poolse migranten in Nederland kiezen voor de middenweg: ze maken vaker gebruik van formele kinderopvang dan Poolse ouders in Polen, maar hun kinderen gaan pas op een latere leeftijd dan die van Nederlandse ouders naar de kinderopvang.

Het leven van immigranten verandert danig wanneer zij zich vestigen in een nieuw land. Deze verandering is vooral ingrijpend voor ouders met kleine kinderen. Ze missen vaak de steun vanuit hun sociale netwerken bij de zorg voor hun kinderen en ze weten onvoldoende over de regels die gelden bij het gebruik van kinderopvang. De situatie kan nog complexer zijn voor migrantenouders die verhuizen naar een land waar een ander idee heerst over wat de beste manier is om voor kleine kinderen te zorgen dan in hun thuisland. Zo kan het in het ene land de norm heersen dat de zorg vooral door familie zelf wordt geregeld – ouders of grootouders – en dat kinderopvang wordt gezien als een minder gewenst alternatief, terwijl in een ander land formele kinderopvang als de norm wordt gezien. Migranten uit Polen die zich in Nederland vestigen ervaren deze tegenstrijdige opvattingen. De vraag dringt zich derhalve op welke zorgstrategieën deze migrantenouders toepassen als ze zich vestigen in Nederland? Zorgen de ouders zelf voor hun kind, een patroon die ze uit het land van herkomst kennen, of kiezen ze voor de reguliere kinderopvang die Nederland biedt? En speelt de leeftijd van het jongste kind daarbij een rol? Om dit goed in beeld te brengen, worden Poolse migranten vergeleken met Nederlandse ouders. Daarbij maken we gebruik van data die in 2014 zijn verzameld (zie kader).

Poolse migratie naar Nederland

Polen heeft na de toetreding tot de Europese Unie in 2004 een massale emigratiestroom meegemaakt. Volgens schattingen hebben ongeveer 2,4 miljoen Polen het land tussen 2004 en 2014 verlaten. Nederland is een van de belangrijkste bestemmingen voor Polen geworden, vooral na de afschaffing van de beperkingen op de arbeidsmarkt in 2007. Op het moment van de dataverzameling onder Poolse migranten – in 2014 – waren er circa 120 duizend geregistreerde Poolse migranten in Nederland. In 2020 bedroeg dat aantal rond 200 duizend. Poolse migranten emigreerden meestal alleen en lieten hun partner en kinderen in een later stadium overkomen. Ouders van migranten bleven meestal achter in Polen.

Zorgidealen

Hoewel Polen en Nederlanders het idee delen dat de zorg voor de jongste kinderen het best binnen de familie kan worden georganiseerd, zijn er toch opvallende verschillen in de uitwerking van dit zorgideaal. Een en ander blijkt ook uit gegevens van de European Social Survey (ESS) uit 2010. In Polen heersen traditionele rolopvattingen die voorschrijven dat de zorg voor kinderen een taak voor vrouwen is en binnen het gezin moet worden georganiseerd. Deze opvattingen zien we bij de evaluatie van de stelling “Een vrouw moet bereid zijn om minder betaald werk te verrichten omwille van haar gezin”. In Polen was 53 procent van de respondenten tussen 20 en 64 jaar het eens met deze opvatting vergeleken met 24 procent van de Nederlandse respondenten. Ook in Nederland was lange tijd dit traditionele opvoedingsideaal dominant, maar de opvattingen over kinderopvang begonnen in de jaren negentig te verschuiven in de richting van een grotere gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Vergeleken met Polen, omarmen Nederlanders meer gendergelijkheid en maken zij meer gebruik van de formele kinderopvang, al dan niet in deeltijd.

Verschillen Polen en Nederland

De zorgidealen zijn terug te zien in de verschillende regelingen en voorzieningen die een land ouders biedt, zoals de verlofregelingen of opvangmogelijkheden. Hoewel de duur van het zwangerschapsverlof ten tijde van de dataverzameling voor deze studie vergelijkbaar was (16 weken in Nederland en 22 weken in Polen), hadden Poolse ouders recht op veel langer ouderschapsverlof dan Nederlanders. In de praktijk wordt het ouderschapsverlof in Polen vrijwel uitsluitend door moeders opgenomen.

De formele kinderopvang voor kinderen onder de drie jaar is vergelijkbaar tussen de landen, maar het gebruik van deze zorg is veel lager in Polen. In 2010 was in Polen slechts drie procent van de kinderen onder de drie jaar ingeschreven in een kinderopvangverblijf. Dit was toen het laagste percentage van alle EU-landen en ligt ver onder 33 procent, het doel dat voor deze leeftijdscategorie is gesteld door de Europese Unie – de zogenoemde Barcelona doelstelling. In datzelfde jaar behoorde Nederland tot de toplanden, met een gebruik van ongeveer 50 procent.

Het Nederlandse beleid bevordert de keuzevrijheid van ouders met betrekking tot kinderopvang en er wordt meer werk gemaakt van de organisatie van werk en gezinsleven. Daarnaast is er ook steun van de overheid voor tweeverdienersgezinnen. Door het ontbreken van de kinderopvangfaciliteiten en flexibele contracten zijn Poolse moeders vaak gedwongen de arbeidsmarkt te verlaten als er kinderen komen, of zijn ze sterk afhankelijk van ondersteuning door grootouders. Ook Nederlandse ouders doen weliswaar een beroep op grootouders voor ondersteuning, maar deze vorm van ondersteuning is vaak een aanvulling op de formele zorg, terwijl het in Polen vaak de belangrijkste bron van kinderopvang is.

Strategieën van Poolse migrantenouders

De verschillen in het beleid en de idealen op het gebied van kinderopvang tussen Polen en Nederland zijn derhalve aanzienlijk. Poolse ouders die in Nederland komen wonen zullen daarom waarschijnlijk voor een moeilijke keuze komen te staan, vooral wanneer ze voor de jongste kinderen moeten zorgen. Hun moeilijkheden kunnen nog worden vergroot door de beperkte toegang tot het sociale netwerk en ontbreken van grootouders. Poolse ouders die in Nederland wonen, kunnen het vertrouwde pad volgen dat ze uit Polen kennen en de kinderopvang voor zeer jonge kinderen in Nederland afwijzen. Deze strategie kan voortkomen uit de processen van socialisatie die men in Polen heeft doorgemaakt, maar kan ook het gevolg zijn van familiedruk. Een andere mogelijkheid is dat Poolse migrantenouders beïnvloed worden door de Nederlandse samenleving waarin ze leven en hun kinderopvangstrategie daarop afstemmen. Als dat het geval is kiezen ze vaker voor formele kinderopvang dan Poolse ouders die in Polen wonen en zullen zij in gedrag niet veel verschillen van Nederlandse ouders.

Ouders en zorg voor kinderen in cijfers

De gemiddelde leeftijd van de moeders in ons onderzoek varieerde rond de 31 jaar voor Polen en Poolse migranten tot 35 jaar voor Nederlanders. De gemiddelde leeftijd van de mannelijke partners is rond de 33 jaar voor Poolse migranten en voor Polen, terwijl de Nederlandse mannelijke partners gemiddeld 37 jaar oud waren. De verschillen in werksituatie tussen vaders van ten minste één kind onder de vier jaar zijn in de steekproeven verwaarloosbaar klein. Voor moeders van jonge kinderen is de situatie echter radicaal anders. Terwijl in Nederland ongeveer 87 procent van de moeders werkt, is dit het geval voor slechts 47 procent van de moeders in Polen en 48 procent van de Poolse migrantenmoeders die in Nederland wonen. Figuur 1 toont de duidelijke verschillen die bestaan tussen de drie groepen als het gaat om de organisatie van de zorg voor de kinderen in gezinnen met tenminste één kind onder de leeftijd van vier jaar.

Figuur 1. Verdeling van zorgstrategieën van ouders van kinderen onder vier jaar, naar achtergrond, Nederlandse versus Poolse ouders (in Nederland en Polen)

De keuze van Poolse migrantenouders voor ouderlijke zorg voor kinderen onder de vier jaar is vergelijkbaar met die van Poolse burgers – ruwweg één op de drie paren maakt geen gebruik van formele of informele kinderopvang en voert alle zorgtaken zelf uit. Ze wijken echter sterk af van vergelijkbare Nederlandse ouders. Slechts zes procent van de Nederlandse ouders past deze strategie toe. De verschillen zijn ook substantieel in het gebruik van formele kinderopvangregelingen. Ongeveer 64 procent van de Nederlandse ouders maakt gebruik van formele kinderopvang voor hun kleine kinderen. Dit percentage is veel lager in Polen, waar slechts 30 procent van de ouders gebruik maakt van formele kinderopvang. Deze strategie komt vaker voor bij Poolse migranten die in Nederland wonen en die in 41 procent van de gevallen voor formele kinderopvang hebben gekozen. Ongeveer een derde van elke groep ouders maakt gebruik van informele zorg door grootouders, andere familieleden of vrienden.

Poolse migranten kiezen vaker voor ouderlijke zorg

De verschillen tussen de drie groepen ouders in de keuze voor het type zorg zijn derhalve aanzienlijk. Maar hoe groot zijn deze verschillen als we kijken naar de leeftijd van de jongste kinderen. We veronderstellen dat de acceptatie van formele zorg toeneemt met de leeftijd van de kinderen, terwijl voor de kleinere kinderen de voorkeur wordt gegeven aan de uitsluitend ouderlijke zorg, maar klopt die veronderstelling wel?

Zoals is te zien in figuur 2a is de kans dat Nederlandse ouders zelf alle zorgtaken voor hun kleine kinderen uitvoeren heel klein en is niet afhankelijk van de leeftijd van de kinderen. De afhankelijkheid van uitsluitend ouderlijke zorg is het hoogst in Polen. Het daalt pas licht als de kinderen de leeftijd van drie jaar bereiken, een leeftijd waarop ook het recht op ouderschapverlof afloopt. De Poolse migranten in Nederland volgen deze praktijk, maar dit lijkt alleen het geval te zijn voor de zeer jonge kinderen. Wanneer het jongste kind de leeftijd van twee jaar bereikt, lijken de Poolse ouders in Nederland vaker externe kinderopvang te zoeken dan ouders in Polen. Vanaf dat moment lijkt hun voorkeur voor uitsluitend ouderlijke zorg op die van de Nederlandse ouders.

Figuur 2. Voorspelde kansen om voor ouderlijke zorg te kiezen (a) en voor gebruik van formele kinderopvang (b) naar leeftijd van jongste kind, Nederlandse versus Poolse ouders en Poolse migrantenouders

..maar sturen hun kinderen sneller naar de opvang dan ouders in Polen

De kans op het gebruik van kinderopvangfaciliteiten (figuur 2b) onder de Nederlandse ouders is hoog en niet afhankelijk van de leeftijd van het jongste kind. Die bevinding is niet verwonderlijk, aangezien het zwangerschapsverlof in Nederland relatief kort is en het ouderschapsverlof voor de onderzochte jaren slechts op deeltijdbasis werd aangeboden. In Polen is de kans op het gebruik van formele kinderopvangfaciliteiten ook relatief stabiel in alle leeftijdsgroepen, maar neemt het sterkst toe wanneer het jongste kind drie jaar wordt. Het gebruik van kinderopvang is echter laag. Dit is niet verrassend, aangezien het ouderschapsverlof in Polen afloopt wanneer een kind de leeftijd van drie jaar bereikt en kinderopvangfaciliteiten voor jongere kinderen schaars zijn.

De situatie is heel anders voor Poolse migranten in Nederland. Zij maken minder vaak gebruik van formele kinderopvang voor de jongste leeftijdscategorie dan Nederlandse ouders, maar die kans neemt toe wanneer het jongste kind de leeftijd van één jaar bereikt en blijft stijgen tot het kind drie jaar oud is. De voorkeur voor formele kinderopvang kan het gevolg zijn van de afwezigheid van direct beschikbare grootouderopvang voor Poolse migranten en de grotere variatie in de formele kinderopvang in Nederland dan in Polen, maar onze gegevens laten niet toe dit verder te onderzoeken.

Onderscheidend patroon

De drie groepen van ouders – Nederlanders, Poolse migranten in Nederland en Polen in Polen – volgen verschillende strategieën om de zorg voor de kleinste kinderen te organiseren. Nederlandse ouders zijn meer aangewezen op de formele zorg, terwijl Poolse ouders in Polen vaker kiezen voor uitsluitend ouderlijke zorg. Poolse migranten in Nederland volgen hier een onderscheidend pad. Hoewel Poolse migrantenouders langer thuis lijken te blijven bij hun kinderen dan Nederlandse ouders, plaatsen zij hun kinderen ook vaker op jongere leeftijd in een formele kinderopvang dan Poolse ouders in Polen. Wellicht is dit patroon een compromis tussen de sociale normen en de beperkingen waarmee migrantenouders in Nederland te maken hebben, zoals gebrek aan sociaal netwerk en steun van grootouders of kennis over de kinderopvang. Een belangrijke vraag is dan hoe deze strategie uitwerkt op de arbeidsmarktpositie van de migrantenmoeders en hun toekomstige financiële situatie. Dit is relevant zowel voor het geval zij in Nederland blijven, dan wel als het gezin besluit te remigreren naar Polen. De helft van de migrantenmoeders in de steekproef werkte niet op het moment van het onderzoek. Of zij werk zullen zoeken en vinden dat kan worden gecombineerd met een gezinsleven nadat het jongste kind naar school zal gaan, is onduidelijk. Een ding staat wel vast: het zal gevolgen hebben voor hun financiële situatie in de toekomst.

Kasia Karpinska, Erasmus Universiteit Rotterdam, e-mail: karpinska@essb.eur.nl
Alzbeta Bartova, Katholieke Universiteit Leuven, e-mail: alzbeta.bartova@kuleuven.be

Literatuur

KNAW Logo
Cookie toestemming
Deze website maakt gebruik van cookies van derde partijen voor analyse van dataverkeer. Privacyverklaring.