Foto: Gerard van der Leun / Flickr

Is bevolkingsbeleid het antwoord op klimaatverandering?

HARRY VAN DALEN & KÈNE HENKENS | 28 mei 2021 | DEMOS jaargang 37, nummer 5 - mei 2021
Hoe belangrijk is bevolkingsbeleid bij het tegengaan van de opwarming van de aarde, en welke rol speelt de bevolkingsgroei bij de opwarming van de aarde? Uit een onderzoek onder Europese bevolkingswetenschappers blijkt dat men zich weliswaar grote zorgen maakt over klimaatverandering en de rol van de mens, maar men is zeer verdeeld over de vraag of bevolkingsbeleid soelaas kan bieden.

Klimaatverandering staat bovenaan het lijstje van zorgen van menig burger. Wetenschappers uit verschillende disciplines ijveren al tijden voor oplossingen om de wereldwijde uitstoot van kooldioxide (CO2) te verminderen. Prominente demografen, waaronder de Nederlandse Amerikaan John Bongaarts, hebben in het recente verleden laten zien hoe bevolkingsomvang en klimaatopwarming met elkaar verbonden zijn. Zij stellen dan ook dat het verlagen van de wereldbevolkingsgroei essentieel is om de wortels van het klimaatkwaad te bestrijden. Bevolkingsbeleid in de vorm van vrijwillige beperking van het kindertal wordt dan ook als een belangrijk beleidsinstrument gezien. Die voorkeur wordt nog sterker geuit door wetenschappers buiten de demografie. Biologen – denk aan David Attenborough – ecologen en milieueconomen zien dit als het belangrijkste element in een verstandig mondiaal milieubeleid. Echter, als het aankomt op de meest invloedrijke club van experts – het IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties (zie kader) – dan wordt er zeer terughoudend gesproken over bevolkingsbeleid. Men erkent dat bevolkingsgroei deel uitmaakt van het krachtenveld, maar in het menu van oplossingen komt bevolkingsbeleid niet voor.

Nu voor overheden de tijd voor oplossingen steeds meer begint te dringen om een omslag te bewerkstelligen in het klimaatbeleid, zouden inzichten uit de demografie aan belang kunnen winnen. Zijn bevolkingswetenschappers het eens of niet met de opinieleiders in het vak en hun kijk op bevolkingsbeleid? Het bestuderen van bevolkingsvraagstukken is een interdisciplinaire aangelegenheid, dus als er een groep van wetenschappers is die licht kan werpen op het belang van de relatie tussen bevolking en klimaatverandering dan zou het wel deze groep van wetenschappers zijn. In een enquête onder leden van de Europese beroepsvereniging voor bevolkingsvraagstukken (EAPS) hebben wij begin 2020 gevraagd naar, onder andere, hun zorgen, visie en oplossingen ten aanzien van klimaatverandering (zie kader).

Zorgen over de toekomst

Om te zien of klimaatverandering überhaupt wel een zorg is van bevolkingswetenschappers is hen gevraagd naar hun zorgen over een aantal maatschappelijke vraagstukken. Sommige vraagstukken zijn duidelijk demografisch van aard (laag kindertal, bevolkingskrimp, immigratie), terwijl andere vraagstukken een bredere strekking hebben zoals inkomensongelijkheid, obesitas of klimaatverandering. Concreet werd respondenten de volgende vraag voorgelegd: “In welke mate maakt u zich zorgen over de volgende vraagstukken in het land waar u woont voor de komende 20 jaar?”

Uit figuur 1 blijkt overduidelijk dat klimaatverandering de bevolkingswetenschappers het meest verontrust: ruim twee derde is zeer tot extreem bezorgd. Maar daarnaast strijden inkomensongelijkheid, armoede en integratie van immigranten ook om de aandacht van demografen. Opvallend is ook dat typische demografische vraagstukken onderaan de ranglijst staan en voor deze experts veel minder een punt van zorg voor de toekomst zijn. Twee derde van de demografen zegt bij voorbeeld zich niet of nauwelijks zorgen te maken over bevolkingskrimp. Nadere bestudering van deze zorgen naar geslacht, regio of politieke kleur levert enige verdieping. Mannelijke en vrouwelijke respondenten blijken niet veel van elkaar te verschillen in hun zorgen. De regio waar men woont doet dat wel en daar blijkt dat Zuid-Europese bevolkingswetenschappers zich meer zorgen maken over demografische onderwerpen als bevolkingskrimp, laag kindertal en integratie van migranten. Het is echter niet van een dusdanig niveau dat de rangschikking van zorgen totaal verandert, want ook in die regio levert klimaatverandering de meeste zorgen op. En tot slot is de politieke kleur van belang. Uit een eerdere studie van onze hand op wereldschaal bleek al dat politiek linksgeoriënteerde bevolkingswetenschappers zich minder bekommeren om een laag kindertal en bevolkingskrimp dan demografen die zich rechts plaatsen op het politieke spectrum. Ook in de huidige Europese enquête komt dat effect terug. Naarmate men meer politiek links georiënteerd is vindt men bijvoorbeeld klimaatverandering, inkomensongelijkheid, armoede veel belangrijker dan zij die zich in het midden of aan de rechterkant van het politieke spectrum bevinden.

Figuur 1. Zorgen van Europese bevolkingswetenschappers over maatschappelijke vraagstukken de komende 20 jaar in hun woonland

Bevolkingsbeleid als antwoord?

Gegeven de urgentie die bevolkingswetenschappers toekennen aan het probleem van klimaatverandering voor de nabije toekomst ligt het voor de hand om na te denken over de vraag of zij een verband leggen tussen bevolkingsomvang en klimaatverandering, en of zij een rol zien voor bevolkingsbeleid. Een van de meest toonaangevende en gerespecteerde demografen is John Bongaarts en hij pleit al sinds tijden om bevolkingsbeleid (meer anticonceptie, versterken van de positie van vrouwen in vooral Afrika) een prominentere plek te geven in het menu van klimaatmaatregelen. In zijn ogen hebben beleidsmakers en hun adviseurs, in het bijzonder het IPCC, een verkeerd beeld van het probleem en de oplossingen. Hij en zijn collega’s noemen vier misverstanden: (1) bevolkingsgroei is geen probleem meer, op termijn daalt immers overal het kindertal, zo luidt de gedachte; (2) de bevolkingsomvang doet er niet zo veel toe om klimaatverandering te beteugelen; (3) bevolkingsbeleid is in hoge mate ineffectief; en (4) bevolkingsbeleid is een te gevoelig onderwerp om kans van slagen te hebben. Vooral het argument dat bevolkingsbeleid kan worden gezien “als een middel om arme landen de schuld te geven voor problemen die rijke landen hebben gecreëerd” speelt hierbij een rol.

Om zicht te hebben hoe deze vermeende mispercepties in Europese kringen rondwaren, is een aantal stellingen aan respondenten voorgelegd. Uit de antwoorden op die stellingen blijkt dat op bepaalde punten bij de bevolkingswetenschappers consensus bestaat, maar zodra het over bevolkingsbeleid gaat blijkt de verdeeldheid groot.

Figuur 2 toont de onderwerpen waarover veel consensus bestaat. Op de vraag of klimaatverandering als resultaat van menselijk handelen gezien moet worden antwoord 92 procent bevestigend. En ook over de vraag of milieubeleid topprioriteit moet krijgen, ook al verlaagt dit de economische groei en dat klimaatverandering tot ongekende migratiestromen zal leiden tekent zich een grote meerderheid af die ‘ja’ zegt.

Figuur 2. Consensus onder Europese bevolkingswetenschappers over klimaatverandering

Die eensgezindheid verdwijnt echter uit zicht als we drie andere stellingen aan de respondenten voorleggen die meer betrekking hebben op beleid en de onderbouwing daarvan (zie figuur 3). Met de voorgelegde stelling dat de huidige wereldbevolking de draagcapaciteit van de aarde overtreft is 47 procent het oneens en 33 procent het eens. Op zich is dit een verrassend inzicht omdat een groot deel van de demografen zich als optimist toont over welke bevolkingsomvang de aarde kan dragen. Enerzijds kan dat liggen aan het brede begrip draagcapaciteit, dat voor meerdere uitleg vatbaar is. Volgens specialisten is dit vooral afhankelijk van technologie en de productie en consumptiestructuur. Anderzijds wordt er zeker van de kant van ecologen en biologen altijd op gehamerd dat de omvang van de wereldbevolking al lang de draagcapaciteit heeft overtroffen. Gegeven dit inzicht kan men verwachten dat de noodzaak tot het voeren van bevolkingsbeleid niet op veel steun kan rekenen. En dat blijkt ook wel uit de antwoorden op de stelling ‘Het verminderen van de wereldbevolking is cruciaal om de uitstoot van CO2 terug te dringen”: 37 procent is het daar mee eens en 34 procent is het oneens. Demografen zijn dus in hoge mate verdeeld over de noodzaak. En om terug te komen op een van de mispercepties die Bongaarts aanstipte over de effectiviteit van het beleid om ‘family planning’ te stimuleren, ook daarover heerst grote verdeeldheid. Slechts 36 procent van de demografen vindt dat dit beleid effectief is geweest, terwijl 35 procent het oneens is met Bongaarts. We hebben ook gekeken of expertise op het terrein van vruchtbaarheid en kindertal tot andere inzichten leidt, maar ook bevolkingswetenschappers gespecialiseerd in vruchtbaarheid en kindertal zijn in hoge mate verdeeld: experts zijn het wel vaker met Bongaarts eens (42%) dan de non-experts op dit terrein (36%). Maar, let wel, ook van de experts is 31 procent het oneens met de stelling.

Figuur 3. Verdeeldheid onder Europese bevolkingswetenschappers over klimaatverandering en bevolkingsbeleid

Twijfel over bevolkingsbeleid

Bevolkingswetenschappers zijn het er duidelijk over eens dat klimaatverandering een van de belangrijkste problemen van dit moment is en dat de noodzaak om corrigerend op te treden groot is. Echter, men betrekt deze correctie niet op het terrein van het bevolkingsbeleid. Daarmee lijken deze wetenschappers veel op de wetenschappelijke adviseurs die betrokken zijn bij het IPCC. Men erkent dat bevolking onderdeel is van het probleem van klimaatverandering maar niet van de oplossing. Het blijft uiteraard gissen waarom dit zo is. Een mogelijke verklaring zou men kunnen zoeken in de geschiedenis van de demografie als discipline. Het bevolkingsdebat heeft wortels in de eugenetica en de activistische houding van de neo-Malthusianen. Onethische praktijken die in het verleden onder de noemer ‘bevolkingsbeleid’ zijn uitgevoerd maken dat wetenschappers weg willen blijven van dit beleid. Deze schuwheid om beleidsuitspraken te doen ontbreekt echter geheel bij wetenschappers van buiten de demografie, denk aan economen, ecologen en biologen, die in de geschiedenis geen moeite hebben om te spreken over overbevolking of het beperken van geboortes. Veel demografen willen weg blijven bij de rol van beleidsadvocaat. Als zij over bevolkingsbeleid spreken dan zetten zij veeleer in op de ‘kracht van de rede’ waar de Nobelprijswinnaar Amartya Sen op wees, en zeker niet op de kracht van dwang. Het versterken van de positie van de vrouw en het investeren in onderwijs zijn dan ook de gangbare beleidskanalen waarlangs bevolkingswetenschappers bevolkingsbeleid willen voeren. Het is echter goed mogelijk dat deze opvatting onder druk komt te staan door de urgentie van het klimaatprobleem. Het is dan niet meer de vraag of de prioriteit moet liggen bij het aanpassen van consumptiepatronen in de rijkere landen van de wereld of het terugdringen van bevolkingsgroei in ontwikkelingslanden. Het lijkt dan noodzakelijk beide wegen te bewandelen om klimaatverandering tegen te gaan. Demografen weten als geen ander hoe complex de relatie is tussen bevolkingsontwikkeling en klimaat. De urgentie van de klimaatcrisis is wellicht een inspiratie om harder na te denken over mogelijke beleidsmaatregelen die zowel de sceptici van klimaatverandering als de sceptici van bevolkingsbeleid kunnen overtuigen.

Harry van Dalen, NIDI-KNAW/Rijksuniversiteit Groningen en Tilburg University, e-mail: dalen@nidi.nl
Kène Henkens, NIDI-KNAW/Rijksuniversiteit Groningen, en Universiteit van Amsterdam, e-mail: henkens@nidi.nl

LITERATUUR

KNAW Logo
Cookie toestemming
Deze website maakt gebruik van cookies van derde partijen voor analyse van dataverkeer. Privacyverklaring.