Foto: J.K. Akselsen / Unsplash

Waarom het tweede kind lastiger is voor vrouwenparen

MAAIKE VAN DER VLEUTEN & YLVA MOBERG | 28 augustus 2026 | DEMOS jaargang 42, nummer 5 - juli/augustus 2026
De stap naar een tweede kind is voor vrouwenparen vaak moeilijk te realiseren, en de wens dat beide partners een zwangerschap dragen komt in de praktijk niet altijd uit.

Dankzij veranderingen in wetgeving en groeiende acceptatie is het in landen als Noorwegen en Nederland steeds gebruikelijker geworden dat twee vrouwen samen een gezin vormen. Sinds 2009 mogen vrouwenparen in Noorwegen gebruik maken van donorinseminatie of IVF. Het aantal geboortes bij vrouwenparen steeg van circa 15 per jaar in 2002 tot ruim 300 in 2021. Toch verloopt de weg naar het eerste kind vaak minder vanzelfsprekend dan bij heterostellen. Wachtlijsten en de hoge kosten van vruchtbaarheidsbehandelingen maken het traject kostbaar en tijdrovend. Dat zien we terug in de Noorse cijfers. Vrouwenparen zijn bij hun eerste kind gemiddeld 4,5 jaar ouder dan vrouwen in heteroseksuele koppels, vaker hoogopgeleid en financieel beter gesitueerd; een teken dat hun weg naar ouderschap meer planning en middelen vergt. We weten echter veel minder over de vervulling van de wens voor een tweede kind. In interviews met vrouwenparen geven ze aan graag een tweede kind te willen, en dat de andere partner dan het kind gaat dragen. De cijfers tonen aan dat dit niet altijd lukt. Onderstaande figuur laat zien dat van de vrouwenparen met één kind tussen 2002-2017, 57 procent een tweede kind kreeg, tegenover 74 procent van de heterostellen. Van de vrouwenparen die wél een tweede kind kregen, koos ongeveer de helft (46%) ervoor om te wisselen van geboortemoeder.

Percentage moeders met een tweede kind (hetero- en vrouwenkoppels) en het aandeel vrouwenkoppels dat bij het tweede kind wisselde van geboortemoeder, Noorwegen, 2002-2017

De tijd tussen het eerste en tweede kind – gemiddeld zo’n 2,8 jaar – verschilt nauwelijks tussen de groepen. Omdat de planning dus vergelijkbaar is, lijkt het verschil in het krijgen van een tweede kind eerder te zitten in de praktische haalbaarheid, zoals medische, financiële of institutionele drempels. Tot 2009 hadden vrouwenparen in Noorwegen geen toegang tot publieke fertiliteitsklinieken. Daarna werd dat mogelijk, maar met beperkingen: maximaal drie pogingen in de publieke zorg en een beperkt aantal klinieken dat met donorsperma werkte. Veel koppels weken uit naar private klinieken, waar de kosten per poging tot enkele duizenden euro’s kunnen oplopen.

Naast dat vrouwenparen minder vaak een tweede kind krijgen, wisselen ze ook minder vaak van geboortemoeder dan ze aanvankelijk aangeven. Dat kan komen door praktische beperkingen: eicellen van de eerste geboortemoeder mochten tot 2021 niet door haar partner worden gebruikt. Dus wie wilde wisselen, moest een nieuw, kostbaar traject starten. Voor velen was het eenvoudiger dat dezelfde partner het opnieuw deed. Ook kan het zijn dat de in interviews genoemde wens dat beide partners dragen niet representatief is voor de meeste vrouwenparen of dat die wens verandert na de eerste geboorte, bijvoorbeeld doordat vrouwenparen het eerste traject als onplezierig en sterk heteronormatief hebben ervaren.

Deze gegevens laten zien dat bij vrouwenparen een tweede kind niet altijd haalbaar is, of niet op de manier waarop ze het willen. In Nederland zien we dit ook: wettelijke regels, financiële middelen en maatschappelijke normen jegens vrouwenparen maken dat idealen vaak botsen met mogelijkheden. Ook in relatief tolerante samenlevingen is de toegang tot reproductieve zorg niet vanzelfsprekend voor alle lhbtiq+-ouders.

Maaike van der Vleuten, NIDI-KNAW / Rijksuniversiteit Groningen, e-mail: vleuten@nidi.nl
Ylva Moberg, Swedish Institute for Social Research, e-mail: ylva.moberg@sofi.su.se

Literatuur

KNAW Logo
Cookie consent
This website makes use of third party cookies for traffic analysis. Privacy statement.